Landbouwer

Uit Oncyclopedia
(Doorverwezen vanaf Boer)
Ga naar: navigatie, zoeken
Haardlezen.JPG
WAARSCHUWING VOOR ONERVAREN LEZERS
Deze pagina is onmenselijk laaaaaaaaaaaang, en wordt dus bij voorkeur gelezen
tijdens de lange winteravonden, wat de houdbaarheid ervan beperkt tot de periode
21 december - 21 maart
Landbouwers.GIF
Eerst efkes een landbouwerke laten... eurp!
~ Urbanus van Anus die niet altijd zijn keel schraapt vóór hij begint te zingen.

Een landbouwer is een persoon die zich sterk maakt dat hij meer en beter uit Moeder Aarde kan krijgen dan ze uit zichzelf voortbrengt, en door de verkoop ervan nog aan een goed inkomen kan geraken óók. Hij beschikt over generaties lang doorgegeven geheimen om de aarde hierbij wat te helpen, en een eveneens generaties lang doorgegeven gewoonte om altijd, steeds en immer te klagen over het weer en de levensduurte. Voor wie denkt dat landbouwers ook petroleum en kostbare metalen uit de grond tevoorschijn toveren, nog dit detail: een landbouwer houdt zich uitsluitend met organisch, dit wil zeggen levend materiaal bezig. U kan een landbouwer natuurlijk vragen om een partij bomen een paar honderd meter diep te begraven, en u de ondergrond van het perceel af te staan voor de komende 300 miljoen jaar, de tijd om een behoorlijk exploitabel steenkoolbekken te vormen. "Investeren in de toekomst", "duurzame ontwikkeling"... u kent het wel.

Ontstaan[bewerken]

De ruïnes van het allereerste Ministerie van Landbouw uit de geschiedenis: de aan de godin der landbouw Demeter gewijde tempel (plus kantoren) in Elefsina (Griekenland).

De oudste voorbeelden van landbouw werden door archeologen teruggevonden in het huidige Griekenland, en meer bepaald in Attika. Bij al deze vondsten bevonden zich objecten die duidelijk tot de Demetercultus behoorden, gewijd aan de godin van de landbouw. Hieruit wordt voorlopig nog steeds geconcludeerd dat het daar was dat voor de eerste keer mensen hun nomadenbestaan opgaven, vermoedelijk daartoe aangespoord door deze godin, en de grond begonnen te bewerken.

Elefsina[bewerken]

In 1352 vóór C. besloot de Myceense heerser over Attika, Giorgos Makikoukis de Grote, om het houten kantoortje in Elefsina, dat dienst deed als trefpunt voor alle landbouwers die '"wilden weten hoe het zat" en die daarom daar jaarlijks een bosje korenaren kwamen neerleggen aan de voet van het Demeterstandbeeld, uit te bouwen tot een volwaardig administratief centrum annex tempel. De uitstraling van het gebouwencomplex was dusdanig groot, dat van ver over de grenzen van het huidige Griekenland de landbouwers zich daar op geregelde tijdstippen verzamelden, om de laatste nieuwtjes te weten te komen, ervaringen en producten uit te wisselen, en te klagen over het weer en de levensduurte. Het geheel werd in 495 na C. grondig gesloopt door boze boeren, omdat de keizer zich had laten ontvallen dat het heffen van een grondbelasting de staat ten goede zou komen. Sindsdien is er, tot voor kort, in Griekenland geen sprake meer geweest van grondbelasting of ander kadastraal gedoe.

Erfelijkheid[bewerken]

Landbouwer wordt men niet: men wordt als landbouwer geboren, uit ouders die eveneens als landbouwers geboren zijn, een wet die destijds ingesteld werd op last van Demeter, en waarvan nog steeds niet wordt afgeweken. Al wie niet van landbouwers afstamt, en zich tóch in deze stiel probeert in te werken, wordt achtervolgd door steeds ergere ongelukken, totdat hij het leven laat of tot inkeer komt. Geen enkele "moderne" godsdienst heeft Demeter ooit kleingekregen: hooguit werd de naam aangepast. Zo vereren katholieke landbouwers de Heilige Isidorus van Madrid als hun beschermheilige[1], en hun orthodoxe collega's Hagia Marina[2], terwijl Hindoe's zich richten tot de godin Lakshmi, en de Moslims tot één hunner populairste wali's, Wali Edi, beschermer der grondbewerkers-die-zingen-onder-het-werk.

Help de aarde[bewerken]

De allereerste en allerhoogste roeping van de landbouwer is, hoe kan het anders, het bedrijven van landbouw. Dit houdt uiteraard het bebouwen van het land in, en liefst niet met flatgebouwen, maar met ploeg en tractor. Er is ook een tak die zich bezig houdt met het telen van eetbaar gedierte, ook weer om de natuur te helpen met het voortbrengen van eetbaar materiaal.

Gooi maar vol![bewerken]

Eetbare gewassen netjes geordend op ordelijke veldjes bijeenbrengen, en hun concurrentie, smalend "onkruid" genoemd, uitschakelen, is een nobel begin, en onze verre voorouders, of toch die van de huidige landbouwers, hebben het daarmee millennia lang geruid. Tot een landbouwer op zekere dag omstreeks 6770 vóór C.[3] merkte dat de gewassen het veel beter deden op plaatsen waar zoogdieren van allerlei slag regelmatig hun gevoeg kwamen doen. Proefnemingen met mest van zijn eigen veestapel bevestigden de waarneming, en vanaf dan was het verzamelen van mest niet meer weg te denken uit de landbouwwereld. Afhankelijk van de viscositeit wordt het in beerputten of op mesthopen verzameld.

Mag het wat meer zijn?[bewerken]

De volgende stap was het experimenteren met diverse grondstoffen, om het helpen van de natuur nog preciezer onder controle te krijgen, en de samenstelling van de aarde zodanig te kunnen aanpassen dat eender welk onderdeeltje van eender welk gewas op eender welke plek ter aarde kon gestimuleerd of onderdrukt worden, met een steeds maar eentoniger wordende aanblik van het aardoppervlak als gevolg. De vorderingen der scheikunde, vooral in de XXste eeuw, deden hier nog een schep bovenop, door de kracht der elementen te ballen in steeds kleinere en steeds krachtiger hoeveelheden chemicaliën, die in zoverre verbetering boden dat hoewel ze de akkers nog altijd tot grote eentonige oppervlaktes herleiden, ze deze percelen toch vrolijke kleurtjes gaven. Wie al eens van de heldere aanblik van een hevig blauw preiveld heeft genoten, zal toegeven dat deze kleurigheid een hele verbetering is, vergeleken met de in het omliggende groen opgaande traditionele prei.

Splitsing[bewerken]

Niet al wat de landbouwer uit de grond tevoorschijn tovert dient de mens tot voedsel: een gedeelte gaat naar een collectie eetbare dieren, zoals koeien, varkens en schapen, dieren die anders zouden verkommeren bij het vruchteloos zoeken naar voedsel in de vrije natuur. Via deze voeding voor tot voeding bestemde dieren kan ook deze bedrijvigheid tot de landbouw gerekend worden, al heeft men het in dit geval, voor de afwisseling, over "veeteelt". Het telen van vee startte omstreeks 3 januari 1165 vóór C., toen even na de middag de Thracische boer Iannis Letzenamolos er eindelijk in slaagde om, na een langdurige blik in de ogen, en zacht gefluister van helaas verloren gegane woorden, een auroch ervan te overtuigen om zich beschaafd te gedragen, en niet zomaar in het wild wat wild rond te lopen. Deze bijdrage tot wat wij nu de oude Griekse beschaving of ook wel het "Klassieke Griekenland" noemen, vond dra zijn weg naar diverse kilometerlange epische gedichten. Omdat de woorden van Iannis' gefluister waren verloren gegaan, gingen de dichters zodanig creatief te werk, dat het domesticeren van wat uiteindelijk de voorouder van onze koeien zou worden, op de achtergrond kwam, en uiteindelijk maar één of twee regeltjes kreeg in literaire meesterwerken zoals de "Ilias", waarvan in het basisopzet de strijd om Troje voorzien was als achtergrond voor de prestatie van Letzenamolos.

Op stap met de genen[bewerken]

De kroftel, door genetische manipulatie verkregen kruising tussen een wortel en een kreeft.

Spectaculaire ontwikkelingen in de biologie hebben ertoe geleid dat ijverige laboranten zodanig met het basismateriaal van levende wezens[4], de genen, kunnen jongleren, dat ze ingrijpende veranderingen kunnen aanbrengen in eender welk organisme. Onder het mom van het wegwerken van de honger in de wereld werken zij gestaag naar een wereld waarin alleen nog in laboratorium-omstandigheden nog voedsel kan geproduceerd worden, en bij wijze van recreatie creëren zij ook wezens die het midden houden tussen plant en dier, aldus de grens tussen veeteelt en de rest van de landbouw vervagend. Hiervan is nog niks te merken, omdat zij dit in hun vrije tijd doen, en zich nog niet bezig houden met de commercialisatie ervan. Niet dat zij er niet mee naar buiten komen: de "kroftel", een kruising tussen een wortel en een kreeft, greep net naast de Bronzen Pipo op het Humorfestival van Zottegem in 2009.

Pesticiden[bewerken]

Een ander belangrijk territorium van de landbouwer is het vrijhouden van dat territorium (?) van allerhande ongewenste organismen. Deze kunnen pootjes hebben (minstens twee, maximaal duizend), vleugeltjes (geen onder- of bovengrens wat het aantal betreft), voelhorens, scharen, tangen, sporen, takjes, steeltjes, blaadjes, steeltjes, of instructies van de Europese Commissie voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling. Vooral deze laatste en overigens meest recente vijand blijkt bijzonder moeilijk aan te pakken: er is nog steeds geen kruid gewassen tegen dit reusachtig organisme dat tegelijkertijd op een ogenschijnlijk totaal legale manier de landbouwers hun schamele centen ontfutselt en ervoor zorgt dat ze hun ambacht vaarwel zeggen. Op deze manier kan de door hen bebouwde ruimte vlak gemaakt worden (vandaar de vrij vulgair klinkende term "platteland"), en volgebouwd met beter renderende flat-, kantoor-, industrie- en andere economisch verantwoorde gebouwen. Tegen de meeste andere organismen kan de landbouwer zich verdedigen met slim uitgekiende en selectief verwoesting zaaiende brouwsels en poeders, die samen worden gegooid onder de noemer "pesticiden". Aangezien de eerder genoemde Commissie zich ook bevoegd voelt om het gebruik van pesticiden te "reguleren", is het duidelijk dat het verschijnsel "landbouwer" hoogstwaarschijnlijk de tweede helft van de XXIste eeuw niet haalt, en onze voeding nog uitsluitend in laboratoria en fabrieken zal geproduceerd worden. Wie graag debatteert heeft hier een prachtig onderwerp voor het grijpen liggen: de keuze tussen voedsel dat óf doordrenkt van giftige stoffen van een zwaar bezoedeld stuk grond werd gehaald, óf uit verdachte substanties in een fabriek werd geconstrueerd.

Woonst[bewerken]

Veel gedetailleerder dan dit zijn landbouwerijplannen niet, en zijn ze nooit geweest.

De landbouwer woont op een landbouwerij, een feit dat door iedereen aanvaard wordt, al zijn er schavuiten die de naam van deze woning wel eens durven aanpassen. De gemiddelde landbouwerij bestaat uit een woonhuis, een hondenhok, een mesthoop, een W.C., een schuur, een tractorstalling, nóg een mesthoop, een bakoven, een kippenhok, een waterput, nóg een mesthoop, een stal en een bijenkorf, dit alles verdeeld over een halfverharde open ruimte die men het "erf" noemt. Afhankelijk van de welvaart des landbouwers, en van de verscheidenheid in zijn interesses, kunnen hier nog onderdelen aan toegevoegd worden, zoals een graansilo, een brouwerij, een fietsenschuurtje, een partytent of een trampoline.

Kadaster[bewerken]

Sinds de actie van 495 na C. zijn ook buiten Griekenland landbouwministers altijd behoedzaam blijven omspringen met landbouwers. Dit is nog steeds te merken aan het feit dat men overal ter wereld gedoogt dat landbouwers de oppervlakte en indeling van hun land zeer schetsmatig in beeld brengen, en bovendien gebouwplattegronden schetsen waarop woningen van ongeveer vijfentwintig vierkante meter eerder regel dan uitzondering zijn. Deze aangiftes worden in regel uitgevoerd op een verfrommeld boterhampapiertje, met het excuus dat degelijk plattegrondpapier veel te duur is voor een doorsnee landbouwer. De zeldzame, doorgaans onervaren inspecteurs die eens een kijkje ter plaatse komen nemen, gaan met een zitvlak vol hagel huiswaarts, zitten een paar dagen op een comfortabel kussen, en zwijgen als vermoord (wat ze eigenlijk, laat ons objectief blijven, uiteindelijk niet zijn). Het nadeel van dit gedoogbeleid is natuurlijk, dat vóór de komst van lucht- en satellietfoto's geen enkele overheid met zekerheid de oppervlakte van het eigen land kon vaststellen, met als gevolg dat sinds de komst van die technologie zowat alle landen een stuk groter bleken te zijn dan tot dan officieel werd aangenomen en medegedeeld.

Woonhuis[bewerken]

De landbouwer woont in het woonhuis, een bewering die sterkt lijkt op het intrappen van een open deur, ware het niet dat in de landbouw een woonhuis voor de leek niet te onderscheiden is van een stal, en vice versa. Wanneer de landbouwer bovendien de gewoonte heeft om met de kippen op stok te gaan, wordt de verwarring nog groter. Zie ook: "stal".

Hondenhok[bewerken]

Hoewel het hondenhok in regel bedoeld is ter huisvesting van de waakhond (en niet van twee of meer, zoals de nieuwe spelling ons laat vermoeden), doet het ook dienst als woonst-in-nood, wanneer het woonhuis voor beperkte duur onbewoonbaar is. Pas wanneer het woonhuis voor langere tijd onbruikbaar is, wordt naar de stal verhuisd, want het vee moet zo min mogelijk gestoord worden, zo wil een ongschreven landbouwwet. De afmetingen van dit gebouwtje, gekoppeld aan de muzikaliteit van een naar de volle maan jankende waakhond en het gevoel voor ritme van een aanslaande waakhond, leidde XXste-eeuwse jazz-muzikanten ertoe om de benaming "hondenhok" te gebruiken voor de contrabas, een grap die zodanig uit de hand liep dat vanaf omstreeks 1950 bassisten massaal overschakelden op basgitaar.

Mesthoop[bewerken]

Aangezien het de taak is van de landbouwer om meer van Moeder Natuur gedaan te krijgen dan ze oorspronkelijk van plan was, en het toevoegen van meststoffen deze taak een stuk efficiënter maakt, is een groot deel van des landbouwers hoop gevestigd op mest, die hij dan weer verzamelt op een hoop, aldus de cirkel rond makend. Deze hoop doet hem immers leven, en kan zelfs een hoop van zege worden. De door deze hoop onwelriekendheden gegenereerde warmte laat energiespecialisten hopen dat deze ooit de fossiele en nucleaire brandstoffen zullen kunnen vervangen, een hoopvol streven dat al geanticipeerd wordt door hanen en meeuwen, die er vaak hun pootjes gaan warmen. Onze waardering voor dit initiatief is echter nog niet dermate hoog dat er al sprake zou zijn van meeuwtjes-de-voorste, hoewel de Moderne Energie & Schoon Transport Helpende Open Ogige Pioniers beide vogels al broederlijk in hun logo hebben samengebracht.

W.C.[bewerken]

Detail van een landbouwerstoilet met sporen van óf artistieke invloeden óf familiaal geweld.

Landbouwers zijn nette mensen (behalve in Vlaanderen, waar ze proper zijn), en willen dus geen viezigheid in huis. Daarom houden zij niet alleen de mesthoop uit hun woning, maar ook de W.C. Wie overnacht op een boerderij, en 's nachts een dringende behoefte heeft, dient zich te voorzien van een goede zaklamp, want in het donker een erf oversteken op zoek naar het toilet, is geen sinecure. Het gebouwtje is gelukkig goed herkenbaar: smal, relatief hoog, met een zadeldak, en een groene deur waarin op ooghoogte een kijkgat is aangebracht in de vorm van een hartje. Dit laat de behoeftige toe om te kijken of er niet al iemand bezig is daarbinnen. Het gebouw is overigens geheel van hout, en geplaatst bovenop de beerput, waarin overigens ook de vloeibare meststoffen van de stal verzameld worden. Samen met de eerder vermelde mesthoop zorgt deze put voor het kenmerkende aroma dat landbouwerijen zo duidelijk onderscheidt van andere woongebieden, en dat mede verklaart waarom men deze ondernemingen slechts zeer zelden in woonkernen aantreft, en men een eind het veld moet in trekken om er een aan te treffen.

Schuur[bewerken]

In de schuur stopt de landbouwer alles wat geen hond, mest, tractor, brooddeeg, kip, water, vee, bij of familie is. Deze eliminatie laat in praktijk niet veel meer over dan het hooi waarmee des winters als het regent het vee gevoed wordt, en waarin des zomers bastaarden verwekt worden. Verder kunnen er allerlei werktuigen ondergebracht worden, alsmede alle door illegale (lees: niet aangegeven) praktijken verkregen goederen, en de voor deze praktijken benutte materialen en gereedschap. Het is voor de landbouwer van het grootste belang dat er ten allen tijde zeer veel rommel in de schuur zit, hangt en staat: in elk landbouwersgezin is er minstens één familielid dat gespecialiseerd is in het rondleiden, tussen die rommel, van eventuele nieuwsgierige belastingambtenaren, die dan een zodanig grote hoeveelheid niet ter zake doende objecten te zien krijgen, dat ze nooit langer dan vijf minuten in zo'n schuur blijven. Bij zeer jonge, onervaren en dus nog door idealen belemmerde ambtenaren, kan een bezoek wel eens tot een tiental minuten uitlopen, en in 1856 is het in Poelkapelle (West-Vlaanderen) gebeurd dat een schuurinspectie ruim twintig minuten duurde, terwijl het repertoire van de landbouwerijgids maximaal een kwartier kan dekken. Er werd dan ook onvermijdelijk twee kilo onaangegeven ham ontdekt, en een zak onaangegeven aardappelen, een zwart jaar dus voor de landbouwer in kwestie. Het feit dat dergelijke inspecteurs hoegenaamd levend dergelijke plaatsen verlaten, duidt op het immense verschil in belang tussen een kadastrale inspectie, en een louter fiscale formaliteit die, behalve toen in 1856, betrekkelijk eenvoudig kan in toom gehouden worden.

Tractorstalling[bewerken]

De landbouwer te velde wordt vereenzelvigd met zijn voertuig, de tractor, en het is niet meer dan logisch dat deze een eigen verblijf krijgt toegewezen, de tractorstalling. Deze plaats is heilig, en er worden mysterieuze krachten aan toegeschreven: zo zou elk ander voertuig, anders dus dan de tractor, dat er in een ondoordacht moment wordt ondergebracht, op één nacht tijd in een tractor veranderen. Deze mythe is nooit officieel ontkracht, en wordt aangegrepen als verklaring voor het opvallend hoog tractorgehalte van landelijk vervoer: in steden ziet men er zo goed als geen (behalve wanneer landbouwers eens een massale uitstap naar een hoofdstad doen, om één of andere eis kracht bij te zetten).

Mesthoop (bis)[bewerken]

Aangezien de mesthoop de landbouwer doet leven, voorziet hij vaak een tweede exemplaar. Omdat grotere, en ook talrijkere mesthopen ook een grotere veestapel laten veronderstellen, heeft dit onderdeel van de landbouwerij in de loop der eeuwen de status van statussymbool verworven. Niet zelden probeert een landbouwer een plekje te vinden voor een nieuwe mesthoop, zelfs al is de vorige nog lang niet te groot geworden: liever twee kleine mesthopen dan één grote, zo luidt een ongeschreven landbouwwet.

Bakoven[bewerken]

Omwille van hun geïsoleerde ligging, is het voor landbouwers goedkoper om zelf brood te bakken (ze kunnen immers alle ingrediënten zelf produceren), en dat gebeurt in de bakoven, een klein bakstenen gebouwtje dat doorgaans tegen het woonhuis of tegen de stal wordt aangebouwd, echter zonder doorgang tussen de gebouwen. In ieder geval wordt de nabijheid van de schuur geschuwd, omdat een landbouwerijbakoven met hout wordt gestookt, en een schouwverlatende genster wel eens het hooi zou kunnen bereiken. Dit brood is niet te koop, maar wordt van harte aangeboden aan al wie op de landbouwerij te gast is. In de vorm van ter plaatse genuttigde boterhammen: geen sprake van het meenemen van landbouwerijbakovenbrood naar huis! Iemand mocht eens proberen het verder te verkopen...

Kippenhok[bewerken]

Landbouwers die niet de gewoonte hebben om met de kippen op stok te gaan, brengen deze onder in een apart gebouwtje, dat zij het "kippenhok" noemen. Het is daar gezellig, en bovendien is het kippenhok de vindplaats voor eieren bij uitstek, een eigenschap die de organisatie van het dagelijkse leven des landbouwers een stuk eenvoudiger maakt. Het kippenhok is te onderscheiden van de andere gebouwen door het piepkleine en zeer smalle ladderachtig trapje dat de kippen naar hun verblijf moet leiden, een opdracht waarbij vaak slachtoffers vallen. Deze vallen dan van dat trapje, en moeten weer achteraan aanschuiven.

Waterput[bewerken]

Omdat landbouwerijen door hun isolatie vaak niet kunnen aangesloten worden op een waterleidingnet, wordt van oudsher bij de aanleg altijd eerst geboord naar water. Dit verklaart de centrale ligging van de waterput, al kan deze ligging wel eens minder centraal gaan worden bij de aanleg van nieuwe gebouwen. Dit water wordt gebruikt voor de was, bij het koken, en uiteraard ook als drinkwater, en hoe dichter de mesthopen en de beerput bij de waterput liggen, hoe pittiger het water smaakt.

Mesthoop (ter)[bewerken]

Statussymbolen kunnen slijten wanneer er misbruik van gemaakt wordt, en daarom wordt het aantal van drie mesthopen als absoluut maximum voorgeschreven door een ongeschreven landbouwwet.

Stal[bewerken]

De landbouw is een zeer conservatieve bedrijfstak, en de doorsnee woning verschilt weinig van die van pakweg 2000 jaar geleden. Kenmerkend is het luttele verschil tussen woonhuis en stal.

Het vee wordt gestald in de stal, een bewering die sterkt lijkt op het intrappen van een open deur, ware het niet dat in de landbouw een stal voor de leek niet te onderscheiden is van een woonhuis, en vice versa. Wanneer de landbouwer bovendien de gewoonte heeft om met de kippen op stok te gaan, wordt de verwarring nog groter. Zie ook: "woonhuis".

Bijenkorf[bewerken]

De Griekse landbouwers hebben altijd honing op hun boterhammetjes gesmeerd, al van in de nacht der tijden. Dat doen ze nu nog, maar de gewoonte heeft zich zeer snel verspreid buiten Griekenland, zodra het begrip "landbouw" zich vandaar begon te verspreiden. Daarom is een landbouwerij zonder bijen ondenkbaar, en deze vinden onderdak in de bijenkorf, een zonderling bouwsel dat het best kan vergeleken worden met een ondersteboven gezette diepe mand. De korf staat altijd opgesteld rechtover één der vensters van het woonhuis, en overdag kan men een constante stroom bijen, in twee lijnen (één heen, één terug), de korf met de ruimte achter het raam zien verbinden. Landbouwerijhoningbijen wachten niet tot iemand de honing komt oogsten, maar brengen die zelf in minuscule emmertjes naar de persoon binnen, en gaan met een blij hartje terug, ervan overtuigd dat ze bijgedragen hebben tot de instandhouding van een zeldzame diersoort[5].

Voertuigen[bewerken]

Een authentieke door pedalen aangedreven "Tractor Invictus" uit de tweede helft van de XIVde eeuw, tentoongesteld tijdens de jaarlijkse Landbouwfeesten in Bokrijk (voertuigencollectie van het Provinciaal Domein).

Tot aan het einde van het Romeinse Rijk bestonden er geen specifieke landbouwvoertuigen: het enige als "voertuig" bestempelbaar object was de ossenkar, en die werd door zowat iedereen gebruikt: van brouwer tot bakker, van taximan tot verhuizer.

Tractor[bewerken]

Het eerste echte landbouwvoertuig was de tractor, een technologische sprong die gemaakt werd net vóór de Germanen het Romeinse Rijk binnenvielen. Het gebrek aan technisch inzicht van deze barbaren zette het ding aan de kant, tot het op een zonnige maandagochtend omstreeks 1320 tijdens een lenteschoonmaak op de zolder ener boerderij werd teruggevonden. Na enig experimenteren bleek de destijds opgedane kennis toch genetisch te zijn doorgegeven, en dra werd het ontwerp gekopieerd. De bekendste firma was het Antwerpse "Invictus", uit welker werkplaatsen nog een paar XIVde-eeuwse exemplaren hier en daar in een museum te bezichtigen zijn. Het toestel werd aangedreven door middel van pedalen, een aandrijfmiddel dat pas verdween toen omstreeks 1800 de stoommachine op de markt kwam, en pedaalaandrijving nog louter voor vrijetijdsrijden, door rijke mensen, werd toegepast.

Beerkar[bewerken]

Een ander voertuig waaraan de landbouwer kan herkend worden, is de beruchte beerkar, waarmee hij zijn gronden voorziet van even vloeibare als geurige meststoffen, in de volksmond "beer" geheten. Volksetymologen menen hieruit te mogen opmaken dat de allereerste beerkarren tijdens het "beren" ook daadwerkelijk door beren werden getrokken, terwijl dierkundigen opperen dat beren allergisch zijn voor de geur van beer, en er zelfs woest van worden, wat hun inzetbaarheid als trekdier nog bedenkelijker maakt. Beren hébben immers al geen bijzonder goeie reputatie als trekdier. Ze hebben wél een stevige reputatie als lastdier, maar dat komt vooral wegens de last die ze dorpelingen en stedelingen bezorgen wanneer een strenge winter de voedselrijkheid van hun oorspronkelijk habitat decimeert

Kruiwagen[bewerken]

Landbouwers die zich geen tractor kunnen veroorloven, en die dus ook niks hebben om een beerkar comfortabel mee voort te trekken, moeten zich behelpen met een zeer karakteristiek éénwielig voertuig, de kruiwagen. Landbouwers die zich wél een tractor kunnen permitteren, hebben daarentegen de gewoonte om ergens aan de carrosserie een kruiwagen te bevestigen, voor in het geval dat de tractor de geest geeft. Dan kunnen ze toch nog een deel van de dagtaak afwerken, en zelfs bezuinigen op brandstof. Voor wie van zijn verre voorouders een pedaaltractor heeft geërfd is de besparing minder frappant, of zelfs onbestaand.

Landbouwer of boer?[bewerken]

Men hoort vaak, vooral in minder ontwikkelde kringen, de term "boer" in plaats van het voorgeschreven "landbouwer", en vooral voor mensen die Nederlands willen leren kan deze dubbele terminologie verwarrend zijn. Bovendien wordt met het begrip "boer" niet noodzakelijk iemand aangeduid die beantwoordt aan de hierboven weergegeven persoonsbeschrijving, en vaak wordt dan in zo'n geval ook een zeker misprijzen bij de spreker waargenomen. Dit misprijzen straalt zelfs af op de woning van zulk een landbouwer, en deze wordt dan smalend "boerderij" genoemd. Om alle misverstanden uit de weg te helpen, wordt aangeraden om de kwestie als volgt te benaderen:

Wanneer de baan geblokkeerd wordt door een breed en langzaam landbouwvoertuig,
en de tijd schijnt stil te staan, dan wordt dat voertuig bestuurd door een boer.
Wanneer een dergelijk voertuig aan de kant gezet wordt om de achteropkomende
weggebruikers door te laten, dan is dat hoffelijk gebaar typisch voor een landbouwer.


De boerse variant van de landbouwer is niet alleen irritanter, maar ook kleurrijker dan het origineel. Daarvan kan menig spreekwoord en gezegde getuigen.

Boeren en ander sociaal twijfelachtig gedrag[bewerken]

Boeren gedragen zich niet alleen weinig hoffelijk op de weg: ze maken zich ook aan andere sociale overtredingen schuldig, waarvan de meest frequente wel die is van het "maagkeren", iets dat bij boeren zo vaak voorkomt, en ook in de minst gepaste omstandigheden, dat het verschijnsel hun naam kreeg, zodat "boeren" een werkwoord werd. Iets als een boer doen werd ook een bijvoeglijk naamwoord: een veearts die een kunstmatige inseminatie komt uitvoeren een haak tonen waaraan hij zijn broek kan hangen, wordt tot de typisch boerse gewoonten gerekend.

Boeren en ploegen[bewerken]

xxx

Een erg opmerkelijke tegenstrijdigheid in het boerenleven, is dat deze grotendeels solistische bezigheid perfect kan in verband gebracht worden met teamwerk, en omgekeerd. Dat is te danken aan een typisch agricultureel gebruiksvoorwerp: de ploeg. Deze merkwaardige uitwas van een gewone schop heeft immers als neveneffect dat

  • een boer kan ploegen (logisch, daar dient ze immers voor)
  • een ploeg kan boeren

Beide verschijnsels, een ploegende boer en een boerende ploeg, hebben hun charme, maar hun publieke aanhang verschilt onderling wel erg sterk. De uitdrukkingen worden soms ook als volgt uitgebreid:

  • een boer kan goed of slecht ploegen
  • een ploeg kan goed of slecht boeren

Deze versies liggen veel dichter bij elkaar: in beide gevallen leiden "goed" of "slecht" naar dezelfde bestemming: een hoge of een lage opbrengst.

Boeren en vrouwen[bewerken]

Waar de gemiddelde landbouwer zich een partner zoekt én vindt binnen het jaar na het intreden van de geslachtsrijpheid, en aan deze partner ook trouw blijft tot één van beide, zoals men dat in landbouwkringen uitdrukt, "komt te gaan"[6], heeft de boer het moeilijker met dit toch wel belangrijke aspect des levens. Dit heeft geleid tot een aantal pittoreske uitdrukkingen, waarvan één zelfs de naam werd van een aan dat thema gewijd televisieprogramma: "Boer zoekt vrouw". De uitdrukking wordt al eeuwen gebruikt wanneer een geslachtsrijpe boer zich niet netjes gedraagt, en men wil insinueren dat het gedrag te wijten is aan het niet kunnen vinden van een partner.


Potatohead aqua.png
Aan de schandpaal genageld!
Vastgenagelde versie:
29 januari 2012
Dit artikel is een verschrikking! Daarom is het vastgenageld aan de schandpaal zodat iedereen er rotte groenten tegenaan kan gooien.


Skafanderke.JPG
Beroepen, stielen, ambachten en andere verdachte bezigheden

Acteur · Analoog · Bankhanger · Boswachter · Brandweerman · Butler · Cardioloog · Cartoonist · Conducteur · Dialoog · Dictator · Dirigent · Dododeskundige · Dokter · Drummer · Expert · Goochelaar · Heks · Kapitein · Lachtherapeut · Landbouwer · Leraar · Nachtwachter · Netwerkbeheerder · Ninja · Pedagoochelaar · Piloot · Politicus · Pottenkijker · Putjesschepper · Schilder · Stoelenmatter · Superheld · Tandarts · Terrorist · Tovenaar · Verpleegster · Weerman · Zwaardvechter


Notenbalk[bewerken]

  1. De geslachtsverandering wordt gecompenseerd door de heilige steevast gekleed in een lange jurk af te beelden, een praktijk die niet ongewoon is in een door mannen gedomineerde cultuur. Ook de Heilige Isidorus van Sevilla, kleinzoon van Isidorus van Madrid en beschermheilige van Internet en electriciteit, ontsnapt hier niet aan.
  2. "Margaretha van Antiochië" voor niet-orthodoxen.
  3. 5 februari 6781 vóór C. volgens de aanhangers van het Myceens Aanjaag Postulaat, 23 april 6763 vóór C. volgens de verdedigers van de Minoïsche Aanvuur Premisse, en 76,3% volgens het Nationaal Instituut voor Statistiek.
  4. "Is een wezen dat niet leeft nog een wezen?", zo vroeg de Zuid-Chinese filosoof Hyppoliet Blaeskens zich in de IVde eeuw vóór C. al af, zonder echter een afdoend antwoord op deze pertinente vraag te vinden. Het zoeken naar dit antwoord maakt nu deel uit van het vak Filosofie aan de Rijksuniversiteit van Gent, en wel onder de kundige leiding van Prof. Dr. Isidoor Blaeskens, afstammeling van Hyppoliet.
  5. Dit idee begint te tanen, en de meldingen van geheimzinnige verdwijningen van bijenzwermen nemen toe: ze gaan ervandoor, dat is duidelijk. Ze zijn het beu
  6. In sommige agriculturele middens in de buurt van Brussel zegt men ook wel eens "zijn schup afkuisen", maar dat is zeer lokaal.