Hugo Claus

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
HugoClausPortret.GIF

Linux?

Door doorzettingsvermogen bereikte de slak de ark. Hij wel, ja!
~ Lijfspreuk van Hugo Claus.
Bijna zo plat als ik. Bijna.
~ Louis Paul Boon over Hugo Claus.
Dit artikel is bijna zo onverteerbaar als het werk van Claus. Bijna.
~ Kapitein Overduidelijk over dit artikel. Ja zeg, wélk artikel anders. Dat over Boon zeker?

Hugo Speeltie Claus (Lapscheure, 5 april 1929 - Antwerpen, 19 maart 2008) was een Vlaams schrijver van reclameboodschappen en Windowsfoutmeldingen, schilder, bijna-dichter en bijna-loodgieter, wiens record "bijna de Nobelprijs voor de Literatuur krijgen" nog steeds niet is gebroken. Dit geldt overigens ook voor andere literaire prijzen.

Dit artikel is winnaar van de
WinterPeen1.png

Winterpeen 2011

Waarschuwing[bewerken]

Schrijven over Hugo Claus gaat gebukt onder dezelfde vloek als het werk des schrijvers zelf: geen enkele Clausbiografie haalde de drukpersen, laat staan dat er een literatuurprijs mee behaald werd. Kranten- en Internetartikels over de man worden geschuwd als de pest, en wanneer er iets over hem wordt gepubliceerd, dan gaat het uitsluitend over de wéér niet gehaalde Nobelprijs voor Literatuur. Wanneer een leraar Nederlands absoluut iemand over Claus wil laten schrijven, moet het onderwerp bij loting toegewezen worden. Het zou dan ook moeilijk geweest zijn om informatie over de schrijver te vinden, ware het niet dat hij royaal over zichzelf heeft geschreven, en ons dus een indrukwekkende hoeveelheid biografisch materiaal -in handschrift weliswaar- heeft nagelaten, zij het van discutabele betrouwbaarheid. Daarin schrijft hij overigens zelf het veelvuldig bijna krijgen van literaire prijzen voor bijna gepubliceerde werken toe aan zijn overmatig gebruik van het woord "bijna" in zijn werk.

Bijna niet geboren[bewerken]

Al van vóór zijn geboorte liep het voor Claus bijna fout, omdat zijn ouders het tot op het ultieme moment niet eens raakten over het al dan niet uitvoeren van een abortus. De kleine was inderdaad niet bepaald voor de volle honderd procent gewenst[1], en dat heeft hij mogen voelen zolang zijn ouders in leven waren. Zijn moeizame weg door het leven houdt hiermee rechtstreeks verband, al is men het er nog niet over eens of Claus het moeilijk had wegens een knagend gevoel van ongewenstheid, of dat zijn mislukte pogingen om "iemand te worden" zijn ouders gelijk gaven in hun oorspronkelijke mening dat hij toch beter niet op de wereld was gezet. Kortom, een toestand die eerder thuishoorde in de XIXde dan in de XXste eeuw, waar de romantiek had plaatsgemaakt voor wetenschap en vooruitgang.

Bijna fotomodel[bewerken]

Toen Claus in 1934 uitgekozen werd om met zijn snoetje de verpakkingen van het allernieuwste product van de beroemde Tiense Suikerrafinaderij, de intussen spreekwoordelijk geworden "cassonade" of "kinnekessuiker", te illustreren, dachten zijn ouders dat er voor hem een carrière als fotomodel was weggelegd, maar ook déze droom bleef een droom: de toewijzing van de opdracht bleek een administratieve vergissing te zijn geweest, en bij elke volgende casting kwam hij telkens op de tweede plaats, ter eventuele vervanging van uitverkorenen die helaas nooit verstek lieten gaan. Deze bittere realiteit verklaart ook waarom er op foto's van de oudere Claus niets meer is weer te vinden van dat lachende gezichtje. Aan zijn eerste, toevallige prestatie hielden zijn ouders zelfs geen financieel voordeel over, omdat in die tijd dergelijke verrichtingen "voor de eer" gedaan werden.

Bijna gediplomeerd[bewerken]

Claus haalde bijna zijn lagere-schooldiploma, maar gelukkig was dat toen nog niet wettelijk nodig om naar het middelbaar onderwijs te mogen, althans niet voor mensen die konden beschikken over een invloedrijke verwante, genre nonkel pater. Dit was het geval, en hij haalde ook bijna zijn diploma van middelbare school. Daar bleef het bij: nonkel pater was inmiddels wijlen, en andere invloedrijke relaties had hij niet. Geen universiteit dus voor Hugo, maar toch bijna. Om in zijn levensonderhoud te voorzien ging hij in de leer bij diverse vaklieden, en bij een loodgieter bracht hij het bijna tot meestergast. Helaas, bij zijn talloze pogingen om werk te vinden raakte hij even talloze keren ergens bijna aan een baan, maar telkens was een andere kandidaat hem vóór. Uiteindelijk kon hij, bij mooi weer, af en toe interim-assistent-lijnschilder aan de slag bij een firma die instond voor het aanbrengen van wegsignalisatie, een baantje dat hem toeliet om op zijn identiteitskaart en op zijn visitekaartje als beroep "schilder" te zetten. Door tussen twee schilderklussen door zijn zelfbeklag over zijn situatie op papier te zetten, groeide gaandeweg bij Claus het idee dat hij misschien een carrière als schrijver zou kunnen aanvatten.

Bijna schrijver[bewerken]

Foto van Claus als jonge volwassene, het lachen definitief verleerd.

Na de oorlog zette Claus jaar na jaar een literair werk op stapel, dat hij nooit gepubliceerd kreeg, omdat telkens kort vóór de voltooiing of vóór de publicatie bleek dat iets zeer gelijkend, met een zeer gelijkende titel al was gepubliceerd door een andere schrijver. Ongeacht welk genre hij ook aanpakte, altijd was iemand er met zijn ideeën vandoor, en tot overmaat van ramp werden deze auteurs stuk voor stuk gelauwerd met de zo door Claus gegeerde Nobelprijs voor de Literatuur. Want minder dan dat was hij zeker niet waard, vond hij, en hij keek neer op alle andere literaire prijzen die hij evenmin kreeg. Zijn bibliografie bestaat dus uitsluitend uit werken die hij zou gepubliceerd hebben als een ander hem niet was vóórgeweest, en die uitsluitend in (onafgewerkt) handschrift bestaan. Omdat weinig zaken zó vervelend kunnen zijn als een lijst met literatuur, word onderstaande lijst wat opgefleurd met reproducties van de weinige schilderwerken die van Claus bekend zijn.

1944-1949[bewerken]

  • 1947: "Een kleine reeks pesterijen" (poëzie)

Vlak na de Bevrijding, in september 1944, zette Hugo Claus zich vol moed aan het schrijven. Gedichtjes, die hij vol ijver toonde aan een Fransman die in het naburige café een pint kwam pakken. Deze verstond geen woord Nederlands, maar Claus legde hem in detail uit waarover elk gedichtje eigenlijk ging. Toen hij in 1947 zijn poëziebundel naar een uitgever stuurde, antwoordde deze hem dat de Franse schrijver Albert Camus een fenomenaal boek, "La peste", had uitgebracht, en dat Claus' verzen daar veel te veel op leken, titel inbegrepen. Ontgoocheld droop Claus af, om aan een ander boek te beginnen.

1950-1959[bewerken]

  • 1951: "Het gevierendeelde logboek van Cortez" (poëzie)

De manier waarop John Steinbeck aan Claus de materie voor zijn nieuwe poëziebundel ontfutselde, moet zó beschamend geweest zijn, vooral na wat eerder al was gebeurd, dat er nergens iets over terug te vinden is in Claus' geschriften. In ieder geval beschamend genoeg om hem de poëzie voorlopig vaarwel te laten zeggen, en aan een roman te beginnen.

  • 1952: "De oude man en de zee in de hondsdagen" (roman)

Toen Claus eind 1951 iemand zijn stamcafé zag binnenstappen die wel eens een Amerikaanse schrijver op inspiratiereis zou kunnen zijn, stopte hij snel de bierviltjes waarop hij aan het schrijven was in zijn jaszakken, en begon tegen de vreemdeling een lange uitleg waarin hij deze aanried vooral niet te hopen dat hij hem zou aan de neus hangen dat hij een roman aan het schrijven was over een oude man en een zee. Blijkbaar bevatte zijn ellenlange betoog over wat hij de Amerikaan allemaal niet zou gaan vertellen voldoende stof (en Claus voldoende drank, gezien de situatie) om ervoor te zorgen dat Hemingway in 1952 zijn beroemde "De oude man en de zee" kon uitbrengen, en Claus weer eens voor niks had gewerkt. Maar opgeven? Niks van, ideeën genoeg, en een ander werk werd aangevat. Toneel, deze keer, want daar had Hemingway tóch geen kaas van gegeten.

  • 1953: "Augie March, een bruid in de morgen" (toneel)

Hemingway liet zich inderdaad niet zien. Wie zich door het theaterformaat van Claus' nieuwste idee niet liet afschrikken, was Saul Bellow, die een toertje door Europa aan het maken was, en in Nederland en Vlaanderen net genoeg taalkennis had opgestoken om zich bij naïeve creatievelingen voor een enquêteur te laten doorgaan. Het trucje pakte overigens alleen bij Claus, die zijn toneelstuk in het Engels en in proza zag opduiken nog vóór hij een theatergezelschap had gevonden dat zijn werk wou uitvoeren. Hij hield zijn creatie wijselijk voor zich, maar bleef zoeken naar een gezelschap dat zijn volgende theaterstuk zou kunnen opvoeren.

  • 1954: "Moratorium der vliegen" (toneel)

Zowel 1953 als 1954 staan geboekstaafd als zwarte jaren voor alle enquêteurs en handelsreizigers die het ongeluk hadden om bij Claus aan te bellen. Maar de auteur in spe was zó vol van zijn scheppingswerk, dat hij zonder argwaan erover vertelde aan een oorlogsveteraan die in Antwerpen een bevrijdingsreünie kwam bijwonen, ter gelegenheid van tien jaar Bevrijding. Het was hem zelfs niet opgevallen dat de in kaki gestoken Brit al in januari in België was, terwijl hij in Normandië in juni actief geweest was... Zoals men dat in het Vlaanderen van vóór de Euro zei, viel Claus zijne frank pas toen hij na de zomer de inhoud van zijn nieuw toneelstuk zag opduiken in het nieuwste boek van William Golding. Hij bedankte het theatergezelschap voor hun nutteloos gebleken beschikbaarheid, en besloot zich weer tot zijn eerste liefde, de poëzie te wenden.

  • 1955: "Een schipbreukeling in Oostakker" (poëzie)

Hoewel Claus nog niet voor de volle honderd procent xenofoob was geworden, hield hij zich nu toch afzijdig van al Engels sprak. De nieuwe, Spaanstalige conciërge van het postkantoor waar hij wekelijks zijn reclameteksten op de bus deed, die vond hij best sympathiek, vooral omdat hij van iemand met zo'n eenvoudig beroep geen interesse in literatuur verwachtte. Kort nadat hij het schipbreukelingthema van zijn nieuwe dichtbundel in geuren en kleuren aan de vriendelijke man had uitgelegd, verdween deze met de noorderzon en een van geluk stralend gezicht. Dat laatste hoorde Claus van de kantoorbediende, en het waarom drong tot hem door toen in de pers gewag werd gemaakt van het ophefmakende nieuwe boek van Gabriel García Márquez, het "Verhaal van een schipbreukeling". Nee, wéér geen succes voor Claus, en zowel erkenning als onderscheiding zaten er voor hem nog niet in. Op aandringen van het eerder vermelde theatergezelschap, "De Vroede Wroeters", begon hij dan maar weer eens aan een toneelstuk.

  • 1956: "De val van de moordenaar" (toneel)

Onze noeste werker was duidelijk zijn eerste ervaring met een Franse concurrent vergeten, want Albert Camus verwerkte Claus' nieuwe toneelgeschrijf moeiteloos in zijn nieuwe boek, "La chute", terwijl onze schrijver de rest van het jaar, plus het hele volgende jaar nodig had om te proberen zich te herinneren wanneer hij eerder dat jaar iets over zijn werk tegen een Franstalige gezegd had. Hij gaf het uiteindelijk op, en hield het op twee mogelijkheden: een zwaar drinkgelag in zijn stamcafé of zuiver toeval.

  • 1958: "Krapps laatste suikerklontje" (toneel)

Claus wist nu dat hij zich moest hoeden voor vreemdelingen die Engels, Frans of Spaans spraken. Een armoedige geklede kerel waarmee hij een fles goedkope wijn deelde, en die geen Engels, Frans of Spaans sprak, maar Engels en Frans en Spaans, daar kon onmogelijk een concurrerende schrijver in schuilen. Claus was zó vol van zijn nieuwe project, dat hij heel de tijd alleen aan het woord was, en het was dus geheel zijn eigen schuld dat hij niet aan Samuel Beckett gevraagd had of hij soms boeken schreef. Want Beckett zou daar heel eerlijk op geantwoord hebben. De Ier kreeg er echter geen woord tussen, en vertrok, toen de fles leeg en Claus uitgepraat was, met een duizelig hoofd naar andere oorden. Het resultaat was een eenakter waarin zowat alles zat dat Claus had willen vertellen. Hieraan tilde Claus minder zwaar dan anders, omdat het stuk, dat door een gelegenheidsgezelschap bestaande uit personeel van de Tiense Suikerrafinaderij zou uitgevoerd worden, tóch van het programma geschrapt was (zie verder).

  • 1959: "Mama, kijk: een blikken trommel!" (toneel)

Een ander toneelstuk dan maar: de volhouder zou toch moeten winnen? Maar het was alsof de duivel ermee speelde, in dit geval in de gedaante van een Duitse Expo-toerist, aan wie Claus fier een blikken trommeltje, "Made in Germany" toonde, dat het centrale gegeven van zijn nieuwe toneelstuk zou worden. Hij twijfelde nog, zei hij tegen de Duitser, of hij er nog een ander muzikaal element zou aan toevoegen, genre glazenvernielende stem of zo. De toerist luisterde instemmend en aandachtig, en ook dát jaar mocht Claus zijn toneelspelers naar huis sturen, want Gunther Grass kwam met "De blikken trommel" opdagen. Komaan, de sixties dan maar in met weer wat poëzie?

HugoClausVerft004.JPG

1960-1969[bewerken]

De sixties waren Claus al niet gunstiger gezind: op de meest diverse en slinkse wijzen zag hij zijn bijna-boeken ingepikt worden:

  • In 1961 zag hij John Steinbeck aan de haal gaan met zijn gedichtjes in "Wrevel over het verven van een ruiter in de winter".
  • In 1962 pakte Doris Lessing hem zijn roman "Het gouden boek der verwondering" af.
  • Ene Mario Vargas Llosa zag in 1963 iets in het romanproject "Omtrent Deedee, de stad en de honden".
  • William Golding had Claus in 1964 opnieuw beet met zijn poëziebundel "Oog om oog of de torenspits".
  • Samuel Beckett is er nooit prat op gegaan, maar Claus' "Het landschap komt en gaat" kwam hem in 1965 goed van pas.
  • Twee jaar werkte Claus zo discreet als voor iemand met zijn temperament mogelijk was, aan het filmscenario "Honderd jaar vijandschap", maar het was García Márquez die in 1967 met de pluimen ging lopen.
  • Zijn volgende filmscenario, "Het speelmeisje van het kankerpaviljoen", haalde het in 1968 evenmin: Aleksandr Isayevich Solzhenitsyn was hem vóór.
  • De ultieme theaterpoging van het decennium was naast de roos, maar niet voor Gunther Grass, die "Plaatselijk verdoofd op vrijdag" best aardig vond.

1970-1979[bewerken]

Mei 68: een nieuwe lente, een nieuw geluid? Voor Claus bleef de vloek duren, de zeventiger jaren door. Neem nu

  • 1970, toen Dario Fo zijn gerief haalde uit "Tand om tand of de accidentele dood van een anarchist", de zoveelste poëtische poging van onze tegengeslagene. Of ook
  • 1971, met de terugkeer van Albert Camus, die het scenario "De gelukkige dood van Mira" wist te gelde te maken. En wat gedacht van het jaar
  • 1972, waarin de recidiverende Solzhenitsyn iets kon doen met de roman "Augustus veertien, jaar van de kreeft", en dat dan ook deed. Het ging al niet beter in
  • 1974, want ene Heinrich Böll had óf een ongewone intuïtie, óf een spion in het huis van Claus, getuige daarvan zijn versie van " De verloren wangebeden van Katharina Blum". Minstens even bont werd het in
  • 1975 gemaakt door een scrupuleloze Saul Bellow, die nog eens kwam kijken en zag dat het gedichtenbundeltje "Humboldt geeft niet thuis" best interessante literatuur kon opleveren. Toch wanneer die onder zijn naam verscheen. In
  • 1977 was het de Rus Joseph Brodsky die hem een loer draaide door inspiratie te putten uit "Emblemata: óók een vorm van spraak". Na dertig jaar proberen en bijna slagen, besloot Claus in
  • 1978 zijn frustraties eens in een roman te gieten. Zijn verlangen naar een literaire carrière en een literaire onderscheiding inspireerde de titel van het werk, dat het enige uit zijn oeuvre was waarvan geen concurrerende versie eerder op de markt kwam. Zijn versie kwam evenmin op de markt, omdat geen enkele uitgever iets zag in dat massaal zelfbeklag, dat bovendien, zoals altijd bij deze bijna-schrijver, in een zeer log en plat Nederlands gesteld was[2]. Dankzij zijn werk als copywriter kon Claus zich een privé-uitgave op 100 exemplaren veroorloven, waarvan bij zijn dood toch het merendeel verkocht bleek. Of weggegeven. Het einde van dit decennium werd gekenmerkt door een stunt die Claus, met al zijn ervaring, toch had moeten zien aankomen. In
  • 1979 stelde een donkere man zich op 6 januari als zwarte koning Caspar voor, en verliet na het sterzingen zijn groepje[3] om met de onbegrepen schrijver een babbel te doen over literatuur. Dat was té sprookjesachtig om betrouwbaar te zijn: de vreemdeling wou alles weten over Claus' nieuwste project, dat vooral Derde-Wereldonderwerpen omvatte, en nog geen half jaar later, toen Claus op het punt stond om de laatste hand te leggen aan zijn dichtbundel "Het Claustrum in de bocht van de rivier", verscheen "Een bocht in de rivier" van ene V.S. Naipaul uit Trinidad, waarin in prozavorm exact dezelfde onderwerpen werden behandeld als in Claus' bijna-meesterwerk. Hij was weer eens de peer.
HugoClausVerft005.JPG

1980-1989[bewerken]

Gedurende de jaren tachtig dreef Claus zijn reclameschrijven op, en viel zijn literaire bijna-productie beduidend terug. Vooral na 1985, toen hij voor Microsoft begon te schrijven, stond zijn literiare ambitie op een laag pitje. In deze periode slaagde hij er toch in ontvreemd te worden van enig gedachtegoed:

  • in 1980 was dat "De verzoeking van de roos", een novelle, en eigenlijk viel de teleurstelling nog mee. Begin dat jaar kreeg Claus een Italiaan over de vloer, op zich niet zo'n ophefmakende gebeurtenis. Daarentegen zou een in literatuur geïnteresseerde ijsventer eenieders wantrouwen opwekken... maar niet dat van Claus! Blij dat toch iemand in zijn geschrijf geïnteresseerd was, en duidelijk nog steeds niet beducht voor buitenlanders die zich bij het begin van het jaar aanmelden, legde hij uit dat hij een prachtig concept voor een novelle had: een middeleeuwse detectiveroman, met monniken als hoofdrolspelers. Dat jaar nog zag Claus een bijzonder dikke versie van zijn idee verschijnen, dat, o zo toevallig, "De naam van de roos" heette. Zijn enige troost kon hij putten uit het feit dat de Italiaan wél veel commercieel succes kende, maar géén Nobelprijs voor de Literatuur, een unicum tussen al die loeders die met zijn ideeën aan de haal gingen!
  • in 1981 was het "Jan de Lichte of de kroniek van een aangekondigde dood", een gedichtenbundel die García Márquez duidelijk inspireerde.
  • in 1983 slaagde Claus erin om een werk, de roman "Het verdriet van het open koppel" te vervolledigen, en er was zelfs al -zeer onvoorzichtig- in de Vlaamse pers gewag van gemaakt. Dit boek stond het dichtst bij uiteindelijke publicatie, en enkel omdat Dario Fo zijn werk even moest opzijleggen om een grafrede te schrijven voor de dat jaar gestorven laatste koning van Italië, Umberto II. Maar Fo zette na de begrafenis alles op alles, en zijn boek werd gepresenteerd de dag nadat Claus besloten had dat het opsturen van zijn manuscript wel een dagje kon wachten, en dat hij een verzetje verdiend had. De spijt omtrent deze beslissing kon alleen getemperd worden door het idee dat hij hoe dan ook te laat zou geweest zijn. Een magere troost.
  • in 1984 deed Dario Fo er een schep bovenop door Claus zijn toneelidee "Toevallige serenade voor een bijna-vrouw" te ontfutselen, en Claus gedurende een jaar te laten puzzelen omtrent de verborgen identiteit van de Italiaanse loodgieter, de Italiaanse gasopnemer, de Italiaanse postbode en de Poolse behanger die hij over de vloer had gehad. Wel, één kon hij waarschijnlijk van het lijstje schrappen.
  • in 1985 snoepte García Márquez hem zijn dichtbundel "Gezegden in tijden van cholera" af, maar zijn nieuwe uitdaging bij Microsoft maakte veel goed.
  • in 1988 had hij Umberto Eco goed beet: deze pikte het toneelstuk "Het huis van Foucault" in, zonder te weten dat het een vertaling was van een werk van Federico García Lorca. Het plagiaatproces loopt nog steeds, en het feit dat Eco vanaf de tweede druk het woord "huis" in de titel verving door "slinger" schijnt niet sterk door te wegen.

1990-1999[bewerken]

Claus begon oud te worden, en stilaan de moed op te geven, vooral sinds in 1990 ene Gao Xingjian gebruik had gemaakt van zijn gedichtenbundel "Cité, steeds de ziel van de berg". Omdat hij maar geen uitgever vond voor de dingen die niet door een andere schrijver ingepikt werden, gaf hij in eigen beheer nog wat gedichten en novellen uit, en overhandigde hij af en toe een toneelstuk aan een lokale toneelvereniging, maar de erkenning bleef uit.

HugoClausVerft003.JPG

2000-2007[bewerken]

In 2000 begon hij aan zijn "Mémoires", die hij, ontevreden, in 2001 helemaal overdeed onder de titel "Autobiografie", waaraan hij in 2002 de brui gaf ten voordeel van "Mémoires II: Non, je ne regrette rien", dat hij in 2003 naar de papiermand verwees om aan "Autobiografie II: Claus Returns" te beginnen, en zo verder, tot aan zijn schielijk overlijden, zoals men in zijn vaderland zijn sterfwijze op doodsbrieven pleegt te vermelden.

Rehabilitatie[bewerken]

Na zijn dood begon een rehabilitatiecampagne die uit twee luiken bestaat:

  1. Het uitgeven van Claus' aanzetten van werken die niet gepubliceerd waren omdat een ander hem vóór was. Om verwarring met de buitenlandse uitgaven te voorkomen, worden eventuele overlappende begrippen uit de titels verwijderd. Zo zal "Krapps laatste suikerklontje", dat te veel lijkt op Samuel Becketts "Krapp's Last Tape" uitgegeven worden onder de titel "Suiker".
  2. Het terugvorderen van de Nobelprijzen van de auteurs die met Claus' ideeën waren gaan lopen, en deze postuum aan hem overdragen. Indien alles goed gaat, zou dit Claus toch zo'n 17 Nobelprijzen voor de Literatuur opleveren, een niet geringe prestatie.

Reclame[bewerken]

Claus leefde nog jaren in armoede en onbegrip, tot in 1953 iemand van het bestuur van de Tiense Suikerraffinaderij, wanhopig op zoek naar een betaalbare schrijver van reclameteksten, zich het snoetje van weleer herinnerde. Gelukkig beschikte de man ook over de naam die bij het gezichtje hoorde, want de zuurpruim die de miskende en armoezaaiende Claus intussen geworden was, zou hij zeker niet zomaar herkend hebben. Zo begon uiteindelijk voor Claus een periode van relatieve welvaart. Zijn geschrijf werd gewaardeerd, al bleef het anoniem, en in 1958 waagde hij zich aan een toneeltje voor het jaarlijkse personeelsfeest. Het werkje, dat de veelbelovende titel "Krapps laatste suikerklontje" droeg, werd echter nog vóór de eerste repetitie van het programma gehaald, omdat de Wereldtentoonstelling in Brussel een veel interessanter onderwerp werd gevonden.

1985: Windows[bewerken]

De eerste gepubliceerde tekst van Hugo Claus, op 11 november 1985.

Omdat hij af en toe reclameteksten schreef voor multinationals, drong een basiskennis van het Engels zich stilaan op. Daarom schreef Claus zich in september 1983 in voor een snelcursus, en die leverde hem geen windeieren op: in 1985 werd hij gecontacteerd door de firma Microsoft die hem vroeg om voor hen de broodnodige foutmeldingen te schrijven. Omdat zij ervan uit gingen dat niemand die meldingen ook écht zou lezen, en een eventuele gebruiker gewoon de stekker uit de regering het stopcontact zou trekken, en/of een technicus zou raadplegen, waren zij immers vooral op zoek naar een even ambitieuze als miskende en vooral goedkope schrijver, die zonder een hoog literair niveau te hebben toch door een wereldwijd publiek zou "gelezen" worden. Zijn kennis van het Nederlands spaarde bovendien een vertaler uit. Claus' Engelstalig proza is inmiddels wereldwijd bekend, al is het, behalve op computerschermen en in handboeken, nooit gedrukt geweest, maar zijn Vlaamse[4] versies hebben nog altijd niet de gepaste erkenning gekregen. Daarom vindt u hieronder een voorbeeldje.

Oei!


Gecombineerd met zijn reclamewerk, behoedde Claus' werk voor Microsoft hem voor het armoedig bestaan dat doorgaans de norm is voor onbegrepen kunstenaars.

Bijna voorpagina nieuws wegens al geruime tijd overleden[bewerken]

Claus had ook de -voor hem- vervelende gewoonte om bijna de voorpagina's van de kranten te halen, maar dan toch uiteindelijk verdrongen te worden door belangrijker nieuws, en meestal zelfs de binnenpagina's niet te halen. Pas na zijn dood kwam daar enige verandering in, mede door toedoen van de aan hem gewijde rehabilitatiecampagne.



Op vrijersvoeten en bijna beroemd: het einde[bewerken]

Zijn verbeterde vooruitzichten lieten hem ook toe om op vijftigjarige leeftijd eindelijk te trouwen met zijn jeugdliefde, Euthanasia Spruyt, die steeds was blijven geloven dat er nog eens iets zou uit de bus komen. Zij leefden relatief gelukkig, maar niet uitzonderlijk lang: toen in december 2007 de Nobelprijs voor de Literatuur wéér aan zijn neus voorbijging, begon hij aan een lange afscheidsbrief. Toen die af was, op 19 maart 2008, sprongen de geliefden gezamenlijk van de Antwerpse kathedraal. In de brief staat waarom: de architect van het bouwwerk zou dat óók gedaan hebben, óók uit bitterheid wegens miskenning. 's Anderendaags zat er in zijn bus een brief van het bestuur van "Koninklijke Fanfare Moed en Volharding Lapscheure", de muziekvereniging van zijn geboortedorp, met de boodschap dat zij hem hun éénmalige "Prijs voor Dapper Doorzetten" zouden willen uitreiken. Zijn heengaan vóór de plechtigheid had van deze plechtigheid bijna een zoveelste bijna-gebeurtenis gemaakt, maar de volhardende muzikanten hielden vol, net zoals de overleden bekroonde, en reikten de onderscheiding postuum uit: de enige in zijn hele leven. Wel, niet echt in zijn leven, maar toch bijna...

Postume erkenning?[bewerken]

Elke Vlamming kent deze "kinnekessuiker", die in 2009 hernoemd werd naar de bijna beroemde man wiens kindergezichtje deze lekkernij al van in 1934 siert.

Behalve de al eerder aangehaalde rehabilitatiecampagne, waarvan het einde nog lang niet in zicht is, en de fanfareprijs, werd aan Claus in 2009, eveneens post mortem, nóg een reële onderscheiding toegekend: ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de zoete specialiteit noemde de Tiense Suikerraffinaderij haar cassonade, die tot dan gewoon "cassonade" heette[5], naar de pas overleden bijna-schrijver. Erkenning als schilder zit er, gezien de vergankelijke aard van het door hem gebruikte medium, voor Claus helaas niet in, tenzij er zich eerstdaags iemand bezighoudt met het opbreken, naar een geschikte bewaarruimte overbrengen en restaureren van door Claus geschilderde stukken wegdek.

Pluimpatat.JPG
Auteur of geen auteur, dát is de kwestie!

Bomans · Boon · Brusselmans · Caesar · Christie · Claus · Erasmus · Finkers · Foucault · Van Gaal
Galileo · Goethe · Hitler · Ibsen · Kafka · Luther King · King · Liefnius · Leviticus · Van Loon · Mulisch
Von Münchhausen · Van Ostaijen · Drs. P · Polo · Reve · Shakespeare · Stevin · Tamstra · Wilde · Wolkers


VlaleeuwL.JPG
Vlaamsche figuren

Bart De Wever · Flip Kowlier · Herman Brusselmans · Herman Van Rompuy · Hugo Claus · Jan van Eyck · Kapitein Zeppos
Kimberley Vlaeminck · Louis Paul Boon · Napoleon Bonaparte · Peter Paul Rubens · Pieter Bruegel de Oude · Tijl Uilenspiegel
Tom Boonen · Urbanus van Anus · Yves Leterme


Paletje.JPG
Huis-, kunst- en kladschilders

Bosch · Bruegel · Claus · Dalí · Da Vinci · Hitler · Magritte · Mondriaan · Picasso · Rembrandt · Rubens · Van Eyck · Van Gogh · Vermeer


Pieperster4.png
Gloria in exelsis Sophia!
Ingelijste versie:
24 januari 2011
Dit sublieme artikel is de glorieuze overwinnaar van een Peen en geldt daarmee als voorbeeld voor eenieder die perfectie nastreeft! Het artikel is daarom ingelijst op de Hoofdpagina en in de Lijst der Giganten.


Notenbalk[bewerken]

  1. De beurscrash zat eraan te komen, en ook al hadden zij geen geld om op die beurs te verspelen, tóch zagen zij beiden op tegen een mondje méér in het gezin.
  2. Het genre Nederlands dat bij Nederlanders het misverstand onderhoudt als zouden Vlamingen een aparte taal, het zogeheten "Vlaams" spreken en schrijven. En ook soms eens lezen.
  3. Claus woonde toen helemaal aan het einde van een wijk, en was traditioneel de laatste "klant" van de sterzangers, dus het uiteenvallen van de groep gebeurde tóch altijd daar.
  4. Claus' visie op de Nederlandse taal kwam in het noorden nogal exotisch over, wat ertoe leidde dat Nederlandse computergebruikers massaal de Engelstalige versies gingen gebruiken, en in één moeite dóór het aloude AZERTY-klavier omruilden voor het eveneens door Engelstaligen gebruikte QWERTY.
  5. Naar Christophe Casson, de suikerarbeider die het procedé uitvond.