OnBoeken:De Rijdende Hollander

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
LeesvoerlogokleinOT.png
Deze roman behoort tot OnBoeken, de collectie inhoudsvrije tekstboeken.
De Rijdende Hollander
Een Europese snelweglegende
      Oeps! Bedoelde je soms De Rijdende Rechter? Waarschijnlijk niet...
De Rijdende Hollander, geschilderd door Hugo Claus.

De Rijdende Hollander (Duits: Der Fahrende Holländer) is een in vele landen bekende legende over een vervloekte Hollandse automobilist en zijn eveneens vervloekte auto met caravan. Door de vloek waarmee hij vervloekt is, moet hij tot de dag des oordeels over de snelweg dwalen, zonder ooit bij zijn bestemming aan te komen. In Frankrijk dwaalt de Rijdende Hollander volgens de legende over de Route du Soleil, terwijl het in Duitsland schijnt te spoken op de A2 tussen Arnhem en Berlijn. Ook in het Verenigd Koninkrijk wordt het verhaal veel verteld, waar het extra spannend wordt gemaakt doordat de Vliegende Hollander rechts rijdt, zodat het rijdende spook spookrijdt.

De oorsprong van het verhaal is niet precies bekend, maar de vroegste vermeldingen duiken op in de jaren zeventig en tachtig. De beroemdste verwerking van de legende is de opera Der Fahrende Holländer van Richard Wagner uit 1988.

Achtergrond[bewerken]

In 1962 probeerde de bestuurder van een Nederlandse auto met caravan die, zelfs naar Nederlandse maatstaven, bijzonder driest reed en bovendien opviel door zijn luide gevloek, zich los te worstelen uit een enorme file. De Rijdende Hollander vertelt hierover zelf als men hem tegenkomt:


Ik ben niet dood, maar ook niet in leven
Ik zweef tussen deze wereld en 't hiernamaals
Luister en hoor wat ik je zeg!
Zeven uur lang stond ik stil
Wachtend tot de file op zou lossen
En vervloekte de dag dat ik geboren was
Zeven uur lang probeerde ik
Los te komen door van rijstrook te wisselen
En vervloekte alle mensen om mij heen
De Rijdende Hollander op de A3 bij Gouda.
Na veertien uur zonder enig soelaas
Begon ik de duivel om hulp te smeken
En vervloekte mijn vrouw en jammerend kroost
Ik gaf nochtans niet op
En weigerde bij het tankstation te stoppen
Zoals mijn vrouw van mij verlangde
Een verschrikkelijke tyran werd ik
En dwong mijn lieve dochter
Te plassen in de asbak achterin
Mijn zoon, die dit weigerde,
Smeet ik in mijn blinde woede
Op het buitenlandse asfalt
Noch file noch afzetting
Noch mist, ijs, hemel, hel,
Zou mij van mijn doel weerhouden
Toen ik zwoer om, als het moest,
Tot de dag des oordeels rond te rijden
Was mijn lot bezegeld
Donderslagen zag ik en zwavelvuur
Plotseling reed ik door de file heen
Als ware ik een schaduw in de nacht
Terwijl de weg zich uitstrekte
Zag ik in de wolken geschreven staan:
Tot de dag des oordeels


Voertuig[bewerken]

De legendarische spookwagen bezit volgens de overlevering ongelooflijke vaardigheden. Zo kan het tijdens een file met 120 kilometer per uur over de vluchtstrook rijden en héél soms zelfs met 130. Ook wordt gezegd dat de auto en caravan plotseling onzichtbaar kunnen worden bij snelheidscontroles, zelfs als ze niet aangekondigd waren. Ook duikt de Rijdende Hollander vaak op bij verdrijvingsvlakken, afgezette weggedeeltes en hinderlijk in de weg van hulpdiensten, waarvoor de Rijdende Hollander weigert te wijken.

Ontmoetingen[bewerken]

Volgens de legende is het een slecht teken als de Rijdende Hollander aan iemand verschijnt. Het schijnt een voorteken te zijn dat iemand een ernstig ongeluk gaat krijgen, hopeloos gaat verdwalen of op zijn minst een flinke boete gaat krijgen voor het overschrijden van de maximumsnelheid. Weggebruikers die het spookvoertuig zeggen te hebben gezien, zeggen dat de caravan leeg, met lijken gevuld of door demonen bezeten was. Sommige zeggen dat ze uit de woonwagen een klagende vrouwenstem horen komen die angstaanjagende dingen roept zoals „Je gaat te hard!“ of „De hagelslag is op!“ wat de omstanders – of eigenlijk omrijders – zonder uitzondering kippenvel bezorgt. Veel vertellingen noemen ook een fiets, al dan niet een tandem, waarmee de bestuurder op parkeerplaatsen langs andere weggebruikers gaat om Beemsterkaas of nederwiet aan te bieden. De kaas is behekst en zorgt dat alle andere levensmiddelen in de auto beschimmelen, terwijl ontvangers van de wiet onherroepelijk binnen korte tijd worden staande gehouden door de politie.

De onderstaande paragrafen zijn voorbeelden van verhalen die met de legende verbonden zijn.

De Verdwenen Patron[bewerken]

Het is een pikzwarte nacht op een benzinestation ten westen van Zürich, in 1974. De patron heeft even aan de broodjes geroken en besloten dat die nog wel een weekje mee kunnen.
Hij speelt nog een potje solitaire en valt bijna in slaap, maar schrikt wakker van luid pratende mensen op de parkeerplaats. Het gorgelende, nasale geluid komt hem onbekend voor.
Hij waggelt slaapdronken uit het winkeltje om te kijken wat er loos is. Daar ziet hij uitgemergelde figuren met makkelijk zittende kleding die proberen de WC's open te krijgen,
zonder bij hem netjes voor de sleutel te betalen. Nog voor hij naar hen toe kan lopen, komen ze al uit de hokjes gerend, met onder hun oksels toiletpapier, het zeeppompje,
de wasbak en de spoelbak. Bij het wegrennen roept de schim met bierbuik nog iets naar de schim met bierborsten:
  „Vergeet de kranten niet, die flikkeren ze morgenochtend toch weg.“
Dit laat de patron niet zomaar gebeuren; dit is Zwitserland en daar wordt gewoon betaald voor diensten! Hij rent achter de figuren aan om zijn schamele halve frank te eisen.
Van de beste man is nooit meer wat vernomen.
Alle wegen door het Ruhrgebied.

De Behekste Caravan[bewerken]

Het is 1978 en Reinhold uit Hannover is onderweg naar een bruiloft in het Ruhrgebied.
Hij weet niet zeker welke afslag hij moet nemen in het doolhof aan snelwegen.
Hij stopt daarom op een parkeerplaatsje, dat Holtkamp heet. Op zijn kaart, die niet bijster gedetailleerd is,
kan hij alleen aflezen dat hij in de buurt is, maar welke weg hij nu moet nemen,
is hem een volkomen raadsel. Hij ziet op de parkeerplaats verder alleen een auto met een geel kenteken.
Hij heeft al een paar Nederlandse auto's met zo'n kenteken gezien,
maar die waren meestal gloednieuw. Deze wagen is compleet verroest en in elkaar gezakt.
Toch besluit hij op de bestuurder af te stappen. Misschien komt hij hier vaker en weet hij,
hoe hij bij zijn bestemming komt.
Nog voor hij kan aankloppen, komt een man naar buiten die zich duidelijk al een paar dagen niet geschoren heeft,
en waarschijnlijk zijn tanden al even lang ongepoetst laat.
Toch is de man redelijk vriendelijk. Met een zwaar accent en zonder enig ontzag voor beleefdheidsvormen en naamvallen,
biedt hij een drankje aan:
  „Willstu ’n lecker Jenevertje von mich?“
Hoewel hij nog moet rijden, slaat Reinhold dat niet af. Hij stapt de woonwagen binnen en de twee drinken gezellig,
terwijl ze kletsen over voetbal en politiek. Drie jenevertjes later zegt Reinhold,
dat hij nu toch maar eens gaan moet. Als hij uitstapt, duurt het door de alcohol even voor hij door heeft wat er aan de hand is. Zijn auto ziet hij niet meer. Is die gejat?
Dan merkt hij dat de hele parkeerplaats er ineens anders uitziet, al komt het hem wel vaag bekend voor. Hier was hij eerder vandaag! Dit is Gütersloh, terug richting Hannover!
Hij draait zich om, maar de caravan waar hij zojuist is uitgestapt, is al verdwenen.
Reinhold komt uiteindelijk vijf uur te laat aangeschoten bij de bruidsreceptie aan. Zijn familie wil van spookverhalen niets weten en onterft hem.

De Filekinderen[bewerken]

Het staat weer eens hopeloos vast tussen de Nederlands-Belgische grens bij Maastricht en Luik in de zomer van 1984. Al op de Nederlandse A2 rijdt het verkeer langzamer,
tot het ten noorden van Luik geheel tot stilstand komt. Sommige mensen zitten er al urenlang als ze achter hen ineens een geluid horen dat op een sirene lijkt. In hun spiegels kijkend,
zien ze echter de schim van een auto met caravan door de file slalommen. Zonder richtingaanwijzers te gebruiken, en dikwijls aan de linkerkant, ploegt de combinatie door het verkeer.
De sireneklanken komen van rechts voorin en blijken het gehuil van de vrouw op de passagiersstoel te zijn. De man naast haar tiert en vloekt in haar richting en naar de achterbank:
  „Overboord met die tyfuskoters!“
Om de paar honderd meter klapt één van de achterdeuren open en rolt een jammerend kind over het asfalt. Tussen Eijsden en Jupille worden zo tientallen jongens en meisjes,
die allemaal naar het toilet moeten, over het asfalt gestrooid. De toeschouwers duiken weg achter hun stuur als de kinderen aan hun raam komen om een broodje leverworst te vragen.
Uiteindelijk verdwijnen de kinderen via de vluchtstrook de bosjes in, waar ze tot in lengte van dagen ronddwalen op zoek naar een boom om tegenaan te plassen.

Het Scheurduel[bewerken]

Giancarlo voelt zich maar wat stoer in zijn pas gekochte Lamborghini. Het is 1989 en hij is onderweg van Milaan naar een conferentie in Rome. Voor hem ziet hij,
op de eerste baan, een verrotte caravancombinatie met Nederlands kenteken. Niets vermoedend, geeft hij braaf links richting aan en geeft gas bij. Maar hoeveel hij ook vaart maakt,
het Hollandse barrel, dat naar tulpenbollen ruikt, blijft schuin rechtsvoor hem rijden. Door de zijspiegel van de auto voor hem, ziet hij het grauwige, zuinige gezicht van de bestuurder.
Deze is druk aan het hoofdschudden en geeft op alles commentaar wat hij om zich heen ziet; alles is beter in zijn eigen land. Door het open raam hoort Giancarlo de Hollander roepen:
  „Tu has uno carro lento! Mucho mucho lento!“
Een week later krijgt Giancarlo een brief met een enorme boete wegens te hard rijden. Zijn verweer dat hij werd opgejaagd door een buitenlandse spookwagen, vindt geen gehoor.

De Goedkope Groenten[bewerken]

In 1991 heeft Auguste Debaevelaere een klein wegcafeetje bij Brouckerque in Frans-Vlaanderen. Op een koude winternacht, kort voor twee uur 's nachts,
biedt een schimmige figuur hem groentes aan voor een ongelooflijk lage prijs, en bovendien in ongelooflijk slecht Frans, of zoals het ook wel heet, Frans met haar op:
  „Voes voelees lechumes? Sjee lechumes poer voes, si bon marsjee, oh, je gelooft het gewoon niet!“
De onnozele Debaevelaere heeft wel oren naar dit handeltje en na een korte onderhandeling gaan er kratten met onmenselijk grote tomaten van de caravan naar de keuken.
Als de kok de tomaten de volgende ochtend wil snijden om in de salades te verwerken, blijken de tomaten gevuld met enkel water, zonder ook maar een spoortje vruchtvlees.

De Voetbalfans[bewerken]

Het is 29 juni 1998 en Duitsland heeft zojuist in Montpellier ten koste van Mexico de kwartfinale van het WK voetbal bereikt door twee late doelpunten.
Een groepje Duitse fans drinkt er een paar pilsjes op in de binnenstad van Montpellier en zingt in hun enthousiasme: wir fahren ohne Holland nach Paris!
Plotseling is er een lichtflits en een donderslag, en staat er een geheel in oranje geklede en geschminkte verschijning voor hen, die hen neerbuigend toespreekt:
  „Ihr wird MIT Holland fahren, und nicht nach Paris, aber in de Hölle!“
De verschijning verdwijnt weer met eerdergenoemde geluidseffecten. De Duitsers zijn licht beduusd, maar denken de volgende ochtend dat het aan de drank lag en verheugen zich op Lyon.
Daar verliest Die Mannschaft met 3-0 van Kroatië, terwijl Oranje voor de troostfinale wel naar Parijs mag afreizen. Volgens vele voetbalanalytici heeft de Vliegende Hollander,
of eigenlijk het overmoedige zingen van de hooligans, de uitschakeling van het nationale elftal veroorzaakt.
De kaft van De Laatste Vloek.

Bewerkingen[bewerken]

Het verhaal van de Rijdende Hollander is door vele auteurs verwerkt in boeken, stripverhalen, gedichten, hoorspelen, films, toneelspelen, musicals, legpuzzels, pornofragmenten en gelukskoekjes. Hieronder twee voorbeelden.

De Laatste Vloek[bewerken]

1rightarrow.png Zie Suske en Wiske voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In het 279e Suske en Wiske-album, De Laatste Vloek uit 2003, is de vloek van de Rijdende Hollander de laatste vloek die Suske en Wiske aanpakken, in hun poging alle vloeken van de wereld op te lossen, in samenwerking met de Bond tegen Vloeken.

SUSKE : Wel Wiske, hebben we ze nu allemaal achter ons?
WISKE : Ik pak de lijst er even bij.
SUSKE : De vloek van de regenboogtrui kun je nu wegstrepen.
WISKE : Ja, en de vloek van Béla Guttmann is ook opgelost.
LAMBIK: En de vloek van de Rijdende Hollander?
SUSKE : Wat mag dat dan wel wezen, Bik?
LAMBIK: Miljaar, kennen jullie de vloek van de Rijdende Hollander niet?!
JEROM : Niet hard zijn. Hebben geen rijbewijs. Kennen rijgedrag van Hollanders niet.

De Hopende Hollander[bewerken]

De Rijdende Hollander was ook inspiratie voor het volgende gedicht van Walter von Wieldopp:

Eén hoop, die verlies ik nooit
Die blijft ondanks alles staan
Deze kar van mij moet ooit
Door de roest te gronde gaan
Dag des Oordeels! Jongste Dag!
Wanneer breekt de aandrijfas?
Wanneer dreunt de laatste slag
Maakt de velg zijn laatste kras?
Ik hoop op het bitt’re eind
Nu de hel verlossing schijnt
Heb toch meelij met de dwaas
Banden, staakt uw wild geraas!


Potatohead aqua.png
Aan de schandpaal genageld!
Vastgenagelde versie:
20 februari 2018
Dit artikel is een verschrikking! Daarom is het vastgenageld aan de schandpaal zodat iedereen er rotte groenten tegenaan kan gooien.