OnBoeken:Kleurverhaal 7 - Drie bandieten en de Tumbleweed Creek City Bank

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken

· · ·
(zo ontstond onderstaand verhaal)
· · ·

Het was een bewolkte zaterdagochtend in Tumbleweed Creek en de sheriff liep op een slakkengangetje door de stoffige hoofdstraat zijn hond Terrible Jerry uit te laten.
"Het wil maar niet regenen...", hoorde hij achter zich een corpulente middenstander op een mistevreden toon mompelen.
"Het moessonseizoen is inderdaad laat dit jaar", zo dacht de sheriff, terwijl Terrible Jerry in de opgedroogde rivierbedding van de creek waaraan het plaatsje zijn naam te danken had een zojuist door hem opgegraven coloradopad enthousiast toeblafte.
De sheriff maakte zich grote zorgen, niet alleen over de droogte, maar ook over het feit dat de trein van drie dagen terug nog steeds niet was aangekomen, in combinatie met de recente vijandigheden van de nabije indianenstammen.
Ook al waren de indianen geen partij voor de revolvers, ergernis was er altijd al geweest en bleef er altijd wel.
Plots arriveerde de trein, drie dagen vertraagd, en een man met een grote sombrero stapte uit, waarop hij onmiddellijk richting de saloon wandelde.
De breedte van de rand van zijn sombrero verhinderde hem de toegang tot de saloon, en, onwillend om zijn favoriete hoofddeksel af te nemen voor elke andere gelegenheid dan het betreden van een ledikant, ging hij mokkend op de veranda neerzitten, in die houding geheel schuilgaand onder het markante kledingstuk.
De man bestelde een Mojito en twee tortilla's, wat hem de aandacht van een andere gast, eveneens met breedgerande hoed, opleverde.
De tweede man zat eveneens onder zijn sombrero op de veranda, aan de andere kant van de saloondeur, en net toen een begin van conversatie tussen twee gefrustreerde sombrerodragers er zat aan te komen, zagen ze een derde persoon op de saloon afkomen, tegen de weersomstandigheden van bovenaf beschut met zo mogelijk een nog bredere sombrero.
De derde man, vergezeld door een vierde persoon, voor de verandering voorzien van een Amerikaanse hoed, bestelde een biertje en nam plaats naast individu No. 2, waarna de vierde hetzelfde deed.
De sheriff sloeg het tafereel met groeiend wantrouwen gade: het zicht van vier saloonklanten die buiten, op de veranda bediend werden, als ware het een terrasje in New York, was nog nooit vertoond in Tumbleweed Creek, en zonder pardon sleurde hij Terrible Jerry, die net aan een territoriumafbakening was begonnen, mee naar de saloon.
De gasten begonnen aan een filosofische discussie om aan de aandacht van de sheriff te ontsnappen, en ook de dobbelstenen en speelkaarten werden tevoorschijn gehaald, alles om maar niet op te vallen.
Niet onder de indruk van dit tafereel kwam de sheriff met zijn duimen in de riem van zijn broek gestoken wijdbeens tot stilstand voor de saloon, tufte zijn pruimtabak over zijn linkerschouder en nam twee minuten de tijd om op intense wijze naar de vier mannen te staren voordat hij zijn mond opentrok.
"Bezwaar als ik een potje meespeel?" vroeg de sheriff met het oog op de kaarten.
Dat bezwaar was er zeker wel.
De sheriff wist echter niet van de snode plannen van het groepje hoofddekseldragers.
Zijzelf overigens ook niet, op die éne met Amerikaanse hoed na: hij had er alle belang bij om de arm der wet de benen te laten nemen vooraleer hij tot serieuze gesprekken kon overgaan.
De plannen van nummer vier werden nog altijd gedwarsboomd door de voor hem volslagen onbekende treinreiziger, want als hij niet meedeed kon de rest het schudden.
Hij had immers enkel gerekend op de twee waarmee hij in de saloon had afgesproken: niet alleen zaten ze niet in, maar buiten de saloon, bovendien was de derde sombreroman sinds ze in dezelfde coupé hadden gezeten, niet meer van zijn zijde geweken.
Voor een dergelijk probleem bestaat in het Westen maar één oplossing (en het was juist vier voor twaalf), ware het niet dat de sheriff duels ter plekke verbood en voorstelde het uit te vechten met een potje voetbal.
Om één voor twaalf had de sheriff al drie goals moeten incasseren zonder de kans te krijgen zijn doel te verlaten om iets tegen het viertal te ondernemen, om twaalf uur stipt riep hij "The Magnificent Three Plus One", uit tot winnaars van deze vergetelijke match, en om vijf over twaalf zat hij morrend thuis het stoofpotje binnen te werken dat zijn vrouw liefdevol bereid had.
Nu de sheriff tijdelijk was uitgeschakeld, besloten de vier de snode plannen te smeden om de bank te overvallen, veruit het avontuurlijkste wat er in dit stoffige stadje te beleven viel.
Het was van meet af aan duidelijk dat de man met de Amerikaanse hoed, die "Joe Bob" beweerde te heten, niet aan de hold-up zou meewerken, maar in de schaduw zou blijven, terwijl William Grat, Jack Bill en Averell Emmett, zoals zij zichzelf noemden, tot de actie zouden overgaan.
Zodra het woord "bankoverval" gevallen was, sprong de boomlange Averell Emmett op en zette het, voor de rest van het gezelschap totaal onverwacht, op een lopen richting de plaatselijke baptistenkerk.
De drie overgebleven hoofddekseldragers besloten af te zien van verdere aliassen en spraken elkaar verder aan met de namen "Socrates", "Archimedes" en "Mojito".
Geheel in stijl filosofeerden ze erop los, gezamenlijk trachtend om het Amerikaanse bankwezen een functie te geven in de zin van het leven, en waren het er spoedig over eens dat geld niet gelukkig maakt, en al helemaal niet de sukkelaar die het niet heeft.
Averell (wat overigens geen schuilnaam is, maar zijn echte identiteit) was ondertussen aangekomen bij het kerkje en sprong met geladen revolver naar binnen om bij de lokale clerici het geld of het leven te ontnemen, abusief denkend dat hij bij de Tumbleweed City Bank was en op de voet gevolgd zou worden door zijn drie metgezellen.
Wie schetst zijn verbazing toen hij, op het punt om "Jullie geld of jullie leven!" te roepen, vóór zich het 75-mm kanon hoorde en zag afgaan, dat na restauratie als herinnering aan de Burgeroorlog door de priester, die het pas had ingezegend en met wijwater besprenkeld, werd afgevuurd om na te gaan of het correct werkte: de knal alarmeerde zowel de middagetende sheriff als de drie filosofen en de rest van Tumbleweed Creek.
De filosoferende bankovervallers waren lichtelijk verrast door de aanwezigheid van dergelijk geschut en bedachten zich dat bij het plegen van een overval een wapen van dit kaliber van pas kon komen om door de kluis heen te breken, maar hoe dit wapen te bemachtigen was een andere vraag, die alleen Socrates als leider van de groep kon beantwoorden.
Het antwoord lag voor de hand.
Na het donker werd de kerk amper bewaakt, wat een goede gelegenheid creëerde om het een of ander te ontvreemden.
Meteen werd ook afgesproken dat tijdens een eventuele nachtelijke operatie Averells stoffelijke resten van de binnenkant van de kerkdeur zouden worden geschraapt, en bijgezet in een passende bokaal.
Toen de drie spreekwoordelijk zware jongens om middernacht bij de kerk aankwamen, speelden ze onvrijwillig een klassieke slapstickscène genaamd Maar Jij Zou Toch De Spatel En De Bokaal Meenemen?! en besloten dat het kanon toch grotere prioriteit had.
Na zich toegang tot de kerk te hebben verschaft was het kanon snel gevonden.
"Sjongejonge," zei Archimedes, "wat is dit zwaar."
Met veel moeite werd het geschut door de kerk gesleept, waarbij Mojito bijna een teen brak.
Socrates maande tot stilte en een beetje professionaliteit, en zo rolde het trio langzaam richting de bank.
"Zijn we het nu niet aan Averell verplicht om een passende en tevens snedige opmerking te maken over de kogel die door de kerk is?" vroeg Mojito zich luidop af.
Archimedes merkte op dat de kanonskogel niet door de kerk was, omdat ze de munitie waren vergeten.
En zo rolde het trio langzaam terug richting de kerk.
Nadat de munitie gevonden was, besloten ze vanuit de kerk te schieten zodat de kogel letterlijk door de kerk ging, en ze dat zware klotekanon niet nog verder hoefden te verslepen.
Ze richtten het gevaarte op de bank, die precies tegenover de kerk stond, aan de andere kant van de enige straat.
Het kanon werd geladen en afgevuurd, wat een gat van drie bij drie in de gevel van de bank veroorzaakte.
Dit verschijnsel zou de buren van de bank, waarvan de gevel de twee meter breedte nauwelijks overschreed, verontrust hebben, ware het niet dat het gat in centimeters uitgedrukt diende te worden, een teleurstellend resultaat dat te wijten was aan het laden van het kanon met een revolverkogel, een aanneembare fout gemaakt door amateurbankrovers die enkel buskruit als munitie hadden aangetroffen, en zelfs zonder de aanwezigheid van een bevaarbare stroom toch trachtten te roeien met de riemen die ze hadden.
De sheriff snelde meteen naar buiten, maar werd geveld door het object waaraan de creek waaraan het stadje haar naam dankt haar naam dankt.
Het dient gezegd dat de lokale variëteit opviel door haar buitengewone omvang en gewicht, een verschijnsel dat door experts wordt toegeschreven aan de eveneens buitengewone kracht en frequentie van de lokale winden, waarvaan volgens diezelfde experts wordt bijgedragen door de eveneens buitengewone eigenschappen en hoeveelheid van de in de lokale stoofpotjes verwerkte bonen.
Het lot van de bank was in handen van "Fat Joe", de snelste schutter van het wilde westen, wat niet verbazend is voor de eigenaar van een 1898 Maxim Gun.
Helaas was dit magnifiek staaltje van technisch kunnen "binnen voor jaarlijks onderhoud", zodat hij zijn gewapend kunnen moest uiten door middel van de ooit voor zijn echtgenote gekochte 1852 Philadelphia Derringer kaliber .41: een schattig, maar enkelschots toestelletje.
Het geboefte had inmiddels het kanon herladen, nu met een zware brisant, maar er was nog een discussie gaande over het doelwit: werd het de bank of toch Fat Joe?
Het was Fat Joe die de knoop doorhakte: zijn welgemikte .41 kogel liet de brisant, die ooit door het stadsbestuur was aangekocht tijdens een uitverkoop omdat het "een koopje" was, tezamen met het kanon uiteenspatten in een beeldige maar ongezonde mengeling van metaalsplinters en kleurige gensters, aldus aangevend dat het "koopje" er geen geweest bleek te zijn, en integendeel de plaatselijke geloofsgemeenschap voor onverwachte kosten stelde.
Socrates, de enige overlevende, gebruikte zijn laatste troef, een musket die ooit was gebruikt tijdens de Slag bij Poltava, om de nietsvermoedende vetklep te voorzien van een gat ter grootte van een golfbal op de plek waar ooit een of meerdere vitale organen zaten.
Tegen zijn zin, maar toch opgelucht, moest Fat Joe erkennen dat zijn huisarts destijds gelijk had toen hij hem voorschreef om een aantal vitale organen te verplaatsen naar een plaats waar ze minder te lijden hadden onder de druk van al dat vet: wie dacht over de nodige anatomische kennis te beschikken om hem vakkundig en snel om zeep te helpen, kwam gegarandeerd van een kale reis thuis, voor de rest van zijn leven geteisterd door nachtmerries over een zich over een wondgat sluitende vetmassa.
Socrates was woest over het feit dat zijn musketschot niet de gewenste uitwerking had en ging over tot een aanval met de bajonet.
Hierop repliceerde Fat Joe door de bajonet net achter het lemmet stevig vast te pakken en het roestige wapen met musket, Socrates en al uit beeld te slingeren.
De priester, niet wetend wie hem nou wel of niet aan het beroven was, trok een kruis van de muur van de kerk om het daarna te benutten als slagwapen tegen Socrates en Fat Joe.
Toen hij wat restte van de kerkdrempel overschreed, zag hij met zijn rechteroog Socrates in een sierlijke boog het toneel verlaten, terwijl zijn linkeroog een zorgeloos fluitende Fat Joe zag weggedragen worden op een brancard van het Rode Kruis, een kleine moeite voor wiens ogen ver genoeg uiteen staan.
De priester was van plan te gaan ontbijten, het was immers al half zes in de ochtend, toen het bankgebouw voor zijn ogen instortte doordat een doorboorde dakbalk van het gebouw het niet meer hield.
"Tja," dacht de brave man, "het werd tijd dat dat krot werd neergehaald: een zogezegde bank waarin niet eens een kluis meer stond, nog enkel goed om amateuristische bankrovers aan te trekken."
Twee onderbetaalde knechten kwamen om de troep op te ruimen terwijl Socrates stiekem de trein in sloop, waarna nooit meer iets van hem is vernomen.

Romanslogo.png Romans

Actie ·· Puur zakelijk · Sterfhart, een deurenkomedie · Sterfhart dat de stukken er vanaf vliegen · Het Slakkenverhaal

Avontuur ·· Dagboek van een holbewoner · Vijf Minuten · Het actieve Zijn van Elle Esdee en Snuifdoosje · N00broosje · De slagh by Oncyclopolis · Oneindigheid

Drama ·· !!Breezahboy · De Meeuw · D'r is wat kwijt · Tommy · Angst en afkeer in Katwijk aan Zee · Twijfel

Kleurverhalen ·· 1: Misstanden in een ambassade · 2: Hardami I Vers 1-49 · 3: Een verhaal dat niemand overleeft · 4: Gereedschapsperikelen · 5: Drie Mojito's en de Vrees voor Water · 6: De Boom Blijft · 7: Drie bandieten en de Tumbleweed Creek City Bank · 8: Warmte alleen kan u redden, zei de koele kikker · 9: Nog geen titel · 10: Het duistere wereldoverheersingsplan van de geniale doch gestoorde Zacharias T. de Rover

Religie/politiek ·· Bijbel · Gezichtshaar voor den triomf · Klassieke scheppingsmythe · Kritiek van de onzuivere rede · Scheppingsmythe van de Wubboïstische mythologie · Zesdaagse Oorlog

Romantiek/liefde ·· Het betoverde zwaard · Relatie

Verhalen voor het slapen gaan ·· De Overgang Der Dagen · De Rijdende Hollander · Doem · Hamlap

Western ·· Kermis in de Hel