OnBoeken:Sterfhart, een deurenkomedie

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
LeesvoerlogokleinOT.png
Deze roman behoort tot OnBoeken, de collectie inhoudsvrije tekstboeken.
de OnOfficiële flap

Sterfthart, een deurenkomedie

door Danny Bruin

Chapiter I: Waar is jouw god nu?[bewerken]

Een draak doden is zo cliché, vond Karper, en daarom doodde hij gewoon de Tijd. De Tijd was een neef van maffiabaas [willekeurig eerste lid van samenstelling] + o, daarom wilde de maffia Karper dood. Gelukkig was er nog de concurrerende familie van [willekeurig eerste lid van samenstelling] + one, die [willekeurig eerste lid van samenstelling] + o dood wou. Toen werd er naar hartelust gemold en gemold geworden. De vendetta eindigde met een bloedbad in een kapel, met duiven en zo. Karper was de enige overlevende en verdiende zo zijn bijnaam: de 'Laatste Man Staande'. Eigenlijk waren er ook nog de duiven en een misdienaar geweest. Daarom wilde Karper hen dood. Hij nodigde ze allen uit op een hostie-en-wijnavond en deed gif in hun bekers in plaats van wijn. Maar de misdienaar vond het verdacht dat er geen hostieijzer was en verwisselde daarom zijn beker met die van Karper. Zo werd de misdienaar de Laatste Man (hij had al een flinke baard voor zijn leeftijd) Staande. Doch echter.

Chapiter II: Gulzigheid is een zonde, corpulentie niet.[bewerken]

Zijn zonnewijzer. De misdienaar had hem in alle haast achtergelaten in de kapel. Hij nam de eerste bus terug, want de zonnewijzer was een cadeau van Deheer Pastoor (die “Meneer Pastoor” beneden zijn stand vond klinken), in ruil voor sporadische seks en een complimentje van tijd tot tijd. In de kapel trof hij een man aan in een roze maatpak. Slaman was zijn naam, een huurmoordenaar, ingehuurd om te moorden. Door de familie van [willekeurig eerste lid van samenstelling] + one om precies te zijn. De twee wisselden een blik, een hand, wat geld, en opnieuw een blik. ‘Nu niet’, zei de huurmoordenaar. Zijn vriendin en hij hadden net ruzie gemaakt, omdat ze weer eens de witte van de rode was vergeten scheiden was was was. ‘Nuniet’, dacht de misdienaar, ‘is dat zoiets als een jezuïet?’ Hoe dan ook, Nu werd Dan, en Niet Wel, gevolgd door de Dans des Doods, een combinatie van de tango en de macarena. Slamans vriendin zal de bloedvlekken en het kaarsvet moeilijk uit haar kleren krijgen. Gelukkig weet haar mama altijd wel raad met zo’n dingen. Was was was.

Chapiter III: Je hebt geen altaar nodig om offers te brengen.[bewerken]

‘Krijg de klere’, waren Slamans laatste woorden geweest. Niet de misdienaar, maar de mama van Slamans vriendin had de kleren gekregen. Zelfs zij kreeg de vlekken er niet uit. Daarom kreeg het Leger des Heils de kleren. De misdienaar had het warm gekregen. Daarom deed ie zijn toog en superplie uit. In zijn wollen onderhemd zag zijn rechterarm er verdacht gespierder uit dan zijn linker, en zijn linkerarm zag er verdacht ongespierder uit dan zijn rechter. Met die rechter had de misdienaar uit de linker binnenzak van Slamans pak een foto gehaald van Oervlaming, een corrupte rechter. Een linke boel, wist de misdienaar, maar hij moest en zou de cirkel rondmaken. Hij belde Koelenaam op, zijn politiek correcte zwarte vriend en een goede vriend van de Kerk, die hem tot BN-8.453.544 (Bekeerd Negerke) gedoopt had. Tot de tand gewapend en niet verder met kerstmanpakken, skateboards en een arsenaal aan nostalgische Vlaamse schlagers speelden ze een potje Risk. Koelenaam won het spelletje, zoals altijd. Daarna trokken ze vlug ten strijde tegen Oervlaming.

Chapiter IV: Korintiërs 4, 16[bewerken]

Iemand een oog uitsteken met een zonnewijzer is moeilijker dan je denkt. Zeker wanneer die iemand een dobermann is. Een Risk-poppetje door zijn strot jagen kan helpen, maar het moet dan wel een kanon zijn, niet zo'n zielig soldaatje. Met een paard lukt het ook wel. De hond bewaakte de wolkenkrabber, waarvan de bovenste verdieping omgebouwd was tot een rechtzaal voor de hoofdbaas Oervlaming. 'Wie waakt over de waakhond?', vroeg Koelenaam terwijl ie de ogen van de dobermann sloot. 'God, natuurlijk.', zei de misdienaar. Fout. Het waren Oost-Europese blonde spierbundels, en een computerexpert. Enkele lijken en een oneliner later liepen de twee door de hal van het gebouw. Ze besloten de lift te nemen, maar daarvoor moesten ze eerst een raadsel oplossen. Een elektronische stem vroeg hen: Wat drinkt 4 liter melk in de ochtend, 2 liter in de middag en 3 liter in de avond? Dan maar de trap. Gelukkig zijn hoofdbazen meestal geduldig. Koelenaam was het eerst boven. De misdienaar kon hem horen kokhalzen. 'Wat zie je?' 'Dooie mensen', antwoordde Koelenaam. Hoofdbazen zijn inderdaad meestal geduldig. Alleen jammer dat deze blijkbaar uit verveling een hele meute scouts had gefusilleerd. De jongens en meisjes lagen opeen gestapeld voor de deur (met hondenluik) van de rechtzaal. De misdienaar kende ze allemaal, want hij maakte deel uit van dezelfde jeugdbeweging. Had Oervlaming het gedaan om hem te treiteren? Wist hij dat ze kwamen? Eén ding is zeker: de Laatste Man Staande is nu ook de Laatste Padvinder. En ze zullen meer Risk-poppetjes nodig hebben. Misschien ook Monopoly-hotels. Woef.

Chapiter V: Exodus in Memorium[bewerken]

‘Een papmuile in een marcelleke?’ vroeg Oervlaming. Daarna gaf ie de pijp aan Maarten, zijn naam aan Haas en het vijfde wiel aan de wagen. De misdienaar en Koelenaam bogen zich over het gestorven lijk van de overleden dode rechter. Iemand was hen voor geweest. Niet de maffia, niet het Gerecht, maar mans oudste en meest gevreesde vijand… de Doo- ik bedoel: de Kerk! De misdienaars woorden galmden door de zaal. Zo dus: kerk – kerk – erk – erk – rk. ‘Inderdaad’, klonk het achter de twee. De misdienaar herkende die hijgerige oudemannenstem, maar de Oost-Europese lisp was nieuw. Koelenaam ook. Iedereen had zo z’n eigen manieren om iemand te bekeren. ‘De scheiding tussen Kerk en Staat is zo passé’, vertelde Deheer Pastoor terwijl hij de twee jongens onder schot hield met een geweer, type groot en gevaarlijk, ‘Voor onze tijdrekening in plaats van voor Christus, bah! Ik ben al dat wereldlijk gezever beu.’ ‘Daarom schakelt u de maffia en het Gerecht uit.’, vatte de misdienaar nog eens bondig samen. ‘Juist, ja. Nu enkel nog de regering omverwerpen, de politie omkopen en klaar is Kees!’, ging de pastoor verder, ‘En niemand houdt mij tegen. Zelf jij niet [wijst naar lezer] of jij, bedplasser.’ Nog een bijnaam van de misdienaar, eentje die hij liever vergat. ‘Niemand!’ Niemand? Deus ex machina. Kettingzaag. Plof. Pang. Samoeraizwaard. Stoer muziekje. Hak. Toen de misdienaar de trap afliep, druppelde er bloed op de treden. Zijn onderhemd was doordrenkt in het spul. Koelenaam was achtergebleven; hij wilde nog even “middeleeuws gaan op de reet van de pastoor”. De misdienaars misdiendagen waren voorbij. Vanaf nu aan zou hij opnieuw gewoon door het leven gaan als Johannes Sterfhart.

Het houdt op.