Nederland

Uit Oncyclopedia
(Doorverwezen vanaf Oranje)
Ga naar: navigatie, zoeken
Portaal  Portaalicoon Land

Nederland is een van de landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden.[1] Nederland ligt voor het overgrote deel in het noordwesten van Europa, aan de Noordzee. Naast het Europese deel zijn er nog de drie bijzondere gemeenten in de Caribische Zee, die ook wel Caribisch Nederland worden genoemd. Europees Nederland wordt in het zuiden begrensd door België, langs de oostgrens door Duitsland en aan west- en noordzijde door de zee. De hoofdstad van Nederland is Amsterdam, de regeringszetel is Den Haag.

Nederland heeft een inwonertal van Sjabloon:Statsland-schattingkort en met een oppervlakte van 41.543 km² een hoge bevolkingsdichtheid van Sjabloon:Statsland-dichtheid. Ruim 18% van het oppervlak bestaat uit water en een groot deel van het land en de bevolking bevindt zich onder zeeniveau.[2] Het land wordt beschermd tegen het water door middel van een systeem van dijken en waterwerken. Door landwinning zijn polders gecreëerd. Bestuurlijk is het land verdeeld in twaalf provincies.

Nederland werd onafhankelijk tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), waarin de gezamenlijke Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden tegen de Spaanse overheersing in opstand kwamen. In 1579 vormden de Noordelijke Nederlanden de Unie van Utrecht, waarmee een nieuwe politieke entiteit ontstond. Met de Acte van Verlatinghe van 1581 werd door de gewesten van die unie de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgeroepen. Deze werd vanaf 1609, bij het begin van het Twaalfjarig Bestand, internationaal erkend, en na de Vrede van Münster (1648) ook door Spanje. Vanaf de Franse tijd (1795-1813) ontwikkelde Nederland zich tot een natiestaat, aanvankelijk als het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815, dat door de Belgische Revolutie in 1830 echter alweer uiteenviel. De dekolonisatie maakte in de 20e eeuw een einde aan de Nederlandse koloniën.

In 2009 behoorde Nederland als 's werelds zevende economie naar bbp tot een van de meest ontwikkelde landen per hoofd van de bevolking. Het bezette in 2013 de vierde plaats in de index van de menselijke ontwikkeling. De Nederlandse economie steunt vooral op een zeer hoog ontwikkelde land- en tuinbouwsector, de dienstensector en de internationale handel, met name op de doorvoer van goederen naar Duitsland.

Nederland is sinds 1848 een parlementaire democratie onder een constitutionele monarchie, een staatsvorm waarbij de macht gedeeld wordt door de koning(in), de ministers (onder wie de minister-president) en de twee kamers van het parlement. Nederland was medeoprichter van onder meer de Europese Unie, de G-10, de NAVO, de Wereldhandelsorganisatie en de OESO. Met België en Luxemburg vormt het de Benelux. Den Haag speelt een belangrijke internationale rol op juridisch gebied, als locatie voor vier internationale tribunalen en Europol.

Geschiedenis[bewerken]

De bewoningsgeschiedenis van Nederland is sterk verbonden met het ontstaan van de Nederlandse ondergrond. De omgeving veranderde niet alleen door de verdrinkingsgeschiedenis van de Schelde, Rijn, Maas en Eems tijdens het Holoceen, maar andersom is bewoning van grote invloed geweest op het huidige Nederlandse landschap met polders en dijken, met name in de laatste 1000 jaar.
De noodgedwongen collectiviteit zorgde voor een bestuur en mentaliteit die mede bijdroegen tot het latere succes van de Nederlandse handel, waarbij ook de geografisch gunstige ligging aan zee en waterwegen van groot belang was. De Nederlandse gewesten hebben door de geschiedenis heen wisselende onderlinge relaties gehad, soms samenwerkend, soms rivaliserend. Belangrijke keerpunten zijn de Opstand met zijn onafhankelijkheidsverklaring die voorafging aan een periode van grote voorspoed, een lange periode van verval en in 1795 de Franse inval die het einde betekende van de Republiek. Als het Koninkrijk der Nederlanden bestaat Nederland sinds 1814 en in min of meer de huidige vorm vanaf 1830 na de Belgische Revolutie.

Pre- en protohistorie[bewerken]

1rightarrow.png Zie prehistorisch Nederland en Romeinen in Nederland voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Met het einde van de laatste ijstijd begon het huidige tijdperk, het Holoceen (9700 v.Chr. - heden). Hierin steeg de temperatuur met een zeespiegelstijging tot gevolg en het volstromen van de Noordzee. De moerassige rivierdelta die later Nederland genoemd zou worden, was echter nog weinig aantrekkelijk en bewoning bleef aanvankelijk beperkt tot passerende jager-verzamelaars. Vanuit Zuidwest-Azië verspreidde de landbouw zich tussen 8000 en 6700 jaar geleden over geheel Europa. Als randgebied begon het neolithicum in de delta relatief laat en dan nog vooral op de hogere lössgronden. Nederzettingen begonnen zich te vormen, maar steden zoals die zich in het centrum van de oude wereld voorzichtig begonnen te vormen, waren nog ver weg.

Door de introductie van nieuwe technologieën als metaalbewerking kon voedsel efficiënter vergaard worden, wat een elite vrijmaakte die zich bezighield met andere zaken. De belangrijkste specialisatie was die van spirituele leiders die gevaren konden duiden of zelfs afwenden. Rondom hen ontstonden centra van toenemende welvaart, aanvankelijk om de goden tevreden te stellen. Ter bescherming werden tijdelijk krijgers als leider aangesteld die echter gaandeweg meer macht verkregen. Relatief egalitaire samenlevingen werden op die manier adellijk met een aristocratisch bestuur. Dit gold onder meer voor de Kelten voor wie het latere Nederland een randgebied was en de La Tène-cultuur daarna (ca. 450 v.Chr. tot de Romeinse periode in de eerste eeuw v.Chr.). Aangetrokken door Keltische welvaart, trokken in de tweede eeuw voor Christus Germanen — waarvan overigens het onderscheid met de Kelten niet goed duidelijk is — naar het westen.

Met de komst van de Romeinen in 57 v.Chr. begon de protohistorie van de Lage Landen. Na aanvankelijke pogingen om het rijk uit te breiden tot aan de Elbe, werd vanaf 47 n.Chr. de Rijn de noordgrens of limes. Na de onderdrukking van de Bataafse Opstand in het vierkeizerjaar (68 - 69) was het gedurende twee eeuwen, tot ongeveer 250, rustig in de Rijnprovincies. Met de opname in het Romeinse Rijk brak een periode van economische expansie en sterke bevolkingstoename, de pax Romana, aan. Door de uitbreiding van het wegennet en de scheepvaart nam de mobiliteit en daarmee de handel toe, geholpen door de toenemende beschikbaarheid van muntgeld. Het Romeinse pantheon werd geïntroduceerd, maar voordat het christendom de overheersende godsdienst werd, was er vooral een mengelmoes van heidense culten.

Middeleeuwen[bewerken]

De Germaanse druk op de limes nam echter toe. De volksverhuizingen, die al met al zo'n twee eeuwen duurden, luidden een periode van instabiliteit in. In 406 werd de Rijngrens doorbroken. Er volgde een periode van neergang, waarvan het Romeinse Rijk zich niet meer herstelde, en versnippering van Europa die tot op heden herkenbaar is. De bevolking en de handel namen af; geld raakte in onbruik.

Keizer Karel de Grote (768-814) wist naast de Friezen in het noorden uiteindelijk ook de Saksen in het oosten aan zich te onderwerpen; de zogenaamde tweede kerstening vond plaats. In de volgende eeuwen zou het christelijk geloof zich aanpassen en volledig doordringen in de samenleving. Onder Karel de Grote waren de Lage Landen geen randgebied meer, maar lagen zij nabij het centrum van het Frankische rijk.

Landsheerlijkheden en de opkomst van steden[bewerken]

Het leenstelsel — waarbij vazallen bij ontbreken van een geldeconomie beloond werden door hun grond in leen te geven — verzwakte het centraal gezag. Ten gevolge van invallen van de Vikingen en delingen van het Frankische Rijk was het een instabiele periode. In de tiende eeuw kwam er een einde aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren. De hierop volgende stabiliteit had vanaf de elfde eeuw een expansiebeweging tot gevolg. Venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en grond werd ontgonnen. Door verbeteringen in de landbouw konden meer mensen zich aan het primaire productieproces onttrekken. Nu de dreiging van buitenaf was weggevallen, richtte de klasse van krijgers zich tegen elkaar en de lokale bevolking. Een aantal feodale heren wist hun gezag uit te breiden ten koste van hun buren. Uit een onoverzichtelijke lappendeken van gebiedjes ontwikkelden zich wereldlijke en geestelijke landsheerlijkheden. Het graafschap Vlaanderen onder de aanvankelijk zwakke koning van Frankrijk was lange tijd het belangrijkste gewest. In Lotharingen was de Duitse keizer een stuk machtiger, doordat hij met het rijkskerkenstelsel bisschoppen met wereldlijke macht bedeelde en daarmee dynastievorming tegenging. Desondanks groeiden de wereldlijke landsheerlijkheden vanaf ca. 1100 uit tot praktisch onafhankelijke vorstendommen.

De verovering van Rhenen door Jan II van Kleef in 1499, Meester van Rhenen.
De hertogen, graven en andere heren betwistten de zwakke macht van de keizer, maar ook elkaar. De relatieve onafhankelijkheid ten opzichte van de keizer was voor het gewone volk niet noodzakelijkerwijs een zegen.

De bevolkingsgroei in deze periode had zijn weerslag op de handel en daarmee op de steden, die vooral door hun muren een machtsfactor van betekenis werden. Dit was het begin van de afbraak van het feodale stelsel. De steden waren niet alleen een inkomstenbron voor de landsheer, maar werden later ook een concurrerende machtsfactor. In gebieden met weinig steden bleef de adel echter nog eeuwenlang een belangrijke rol spelen. Er ontstond een structuur om het werk aan de dijken en sluizen te coördineren, waartoe waterschappen en heemraadschappen werden opgericht. Door dit alles veranderde de sociale en economische structuur en kon men zich ook gaan richten op de visserij, de lakennijverheid en overzeese handel. Met de groeiende macht van de burgerij werd het culturele monopolie van de Kerk doorbroken. De culturele opleving in deze periode, waarin ook de eerste scholen en universiteiten werden gesticht, wordt wel de renaissance van de twaalfde eeuw genoemd.

Consolidatie[bewerken]

De veertiende eeuw was voor Europa een periode van crises in velerlei opzicht, met onder andere de Zwarte Dood (1347-1351) en de Honderdjarige Oorlog. In economisch opzicht was er zelfs sprake van een algemene malaise die tot ca. 1475 duurde. Voor de Nederlanden ging dit echter niet op en was er eerder sprake van economische expansie. Waar de positie van de Franse koning in de voorgaande eeuwen versterkt was en Frankrijk een eigen identiteit ontwikkelde, ontwikkelde een sterke Duitse identiteit zich pas láng nadat dit in de Lage Landen was opgetreden. Deze ontwikkeling was een van de factoren die maakte dat de Nederlanden uiteindelijk geen deel meer zouden uitmaken van het Heilige Roomse Rijk.

De expansiedrang van de landsheren uitte zich in verscheidene onderlinge oorlogen, maar vooral de huwelijkspolitiek zorgde ervoor — vaak door toevalligheden — dat grote delen van de Lage Landen onder buitenlandse vorstenhuizen vielen. Het succes van de huwelijkspolitiek bleek vooral bij de hertogen van Bourgondië. Die wisten tussen 1384 en 1428 een aantal noordelijke en vrijwel alle zuidelijke gebieden voor het eerst sinds de Karolingische tijd te verenigen.

Onder de Bourgondiërs werd getracht meer greep te krijgen op de particularistische gewesten. Ondanks de interne zwakheden en lokaal opspelende onrust profiteerden de gewesten van het wegvallen van de onderlinge rivaliteit van de voorgaande eeuwen en begon er een periode van welvaart.

Zestiende eeuw[bewerken]

Ook voor de Habsburgers daarna waren de economische sterke Nederlanden van belang. Onder keizer Karel V (1515-1555) werd het gebied onderdeel van het Spaanse wereldrijk. Het zwaartepunt verschoof naar vooral Spanje, waarbij het bestuur van de Nederlanden werd overgelaten aan een landvoogd. Dat de Nederlanden deel uitmaakten van het Habsburgse rijk betekende ook dat deze gewesten betrokken raakten in reeds lang aan de gang zijnde Italiaanse Oorlogen tussen Frankrijk en de Habsburgers. Frankrijk zag zich, nadat Karel V ook koning van Spanje geworden was, voor een groot deel omsingeld door het huis Habsburg. De Italiaanse Oorlogen beheersten de Europese politiek tot aan 1559 en de Frans-Habsburgse rivaliteit nog twee eeuwen langer. De zogenoemde XVII Provinciën werden in deze periode tot een vergaand onafhankelijke eenheid gemaakt.

De protestantse reformatie sloeg vanaf de jaren twintig aan in dit gebied dat al lang een kritische houding aannam ten opzichte van de rooms-katholieke kerk. In economisch en demografisch opzicht was er vanaf het einde van de vijftiende eeuw sprake van een sterke groei. De oorlogen, met hoge belastingen en handelsblokkades als gevolg, drukten echter zwaar op de bevolking. Deze keer kwam er door de reformatie en vooral de harde vervolging daarvan nog een nieuwe factor bij. Dit explosieve mengsel zou leiden tot de Opstand. De eerste opstand in 1567-1568 kon nog de kop ingedrukt worden, maar het harde beleid riep opnieuw veel weerstand op. Op 1 april 1572 slaagden de geuzen erin om Den Briel in te nemen en begon een tweede opstand. Op 26 juli 1581 werd door de Staten-Generaal van de Nederlanden het op 22 juli opgestelde Plakkaat van Verlatinghe opgesteld. Hierin werd Filips II afgezet als heerser van de Nederlanden. Het plakkaat wordt gezien als de officiële onafhankelijkheidsverklaring die het begin inluidde van een autonoom Nederland. Hoewel de staatsvorm in de geschiedenis meerdere malen veranderd is, wordt dit door velen als het begin van Nederland gezien. De val van Antwerpen in 1585 bezegelde daarna in militaire zin de scheiding van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden. Bij gebrek aan een geschikte andere landsheer ontstond in 1588 de Republiek.

Republiek[bewerken]

Geholpen door de imperial overstretch die Spanje ondervond, kon de Republiek voorkomen heroverd te worden. Sterker nog, het wist maximaal te profiteren van het verschuiven van het economisch middelpunt van de Middellandse Zee naar West-Europa. Waar de noordelijke Nederlanden eerder in de schaduw stonden van de zuidelijke gewesten, nam Amsterdam na de val en blokkade van Antwerpen de plaats over als handelscentrum van Europa, terwijl Holland de scheepvaart in Europa beheerste. Hoewel de Vereenigde Oostindische Compagnie grote winsten wist te bereiken voor de aandeelhouders, droeg de handel op Indië slechts in beperkte mate bij tot de winsten, die vooral in de Europese handel werden bereikt. De daaropvolgende Gouden Eeuw was een periode met een grotere politieke, culturele en economische betekenis dan ooit daarvoor of daarna in de Nederlanden. Door het economische overwicht kon Holland de Staten-Generaal domineren. Zodra de belangen van Holland en Oranje niet meer overeenkwamen, kon dit het bestuur volledig verlammen.

Hoewel de overheid protestants was, bestond er vrijheid van geweten, maar er was geen vrijheid van eredienst. De tolerantie was heel wat groter dan elders in Europa, maar het was een opportunistische, die voorkwam dat men te maken kreeg met een exodus zoals het dogmatische Spanje had meegemaakt.
De burgerij werd de dominerende klasse, terwijl de invloed van de adel en al eerder van de geestelijkheid verminderde. Regenten begonnen het politieke klimaat te beheersen.

In 1648 werd de oorlog met Spanje beëindigd, tegen de zin van stadhouder Willem II. Zijn pogingen de macht naar zich toe te trekken resulteerden na zijn onverwachte dood in 1650 tot het eerste stadhouderloze tijdperk. Dit tijdperk werd binnenlands gekenmerkt door de Ware Vrijheid en buitenlands door handelsoorlogen.

Landschap met vissers en turfstekende boeren in het laagveen, 1783, Hendrik Willem Schweickhardt.
Grootschalige mechanische energieopwekking vond voor het eerst plaats met wind- en watermolens. Een belangrijke bijdrage aan de welvaart van de Verenigde Provinciën tijdens de Gouden Eeuw werd geleverd door turf. Het geheel maakte een proto-industrialisatie mogelijk die pas voorbij werd gestreefd met de industriële revolutie in het Verenigd Koninkrijk.

Engeland en Frankrijk waren ondertussen bevrijd van hun interne problemen en eisten hun deel van de handel en scheepvaart. De daaropvolgende Eerste Engelse Oorlog werd verloren door de Republiek. Hoewel de Tweede Engelse Oorlog overtuigend werd gewonnen en de Staatse vloot oppermachtig maakte, werd het steeds duidelijker dat de Republiek in de problemen zou komen zodra men de grootmachten niet tegen elkaar wist uit te spelen. Dit bleek in het Rampjaar. Terwijl de buitenlandse troepen met een verbijsterende snelheid optrokken tot aan de waterlinie, werden de gebroeders De Witt gelyncht in Den Haag, waarna Willem III tot stadhouder werd benoemd.

De crisis gaf de orangisten de overhand. Onder Willem III wist men uit de benauwde situatie te komen, waarbij Michiel de Ruyter de gezamenlijke zeemacht van Frankrijk en Engeland in 1673 wist te verslaan. Hierna zou Willem III zich blijven richten op het vormen van een Europese coalitie tegen het expansionisme van Lodewijk XIV. In 1688 kwam het dan ook tot een Glorious Revolution na een gedurfde invasie van Willem III met een groot leger op Engels grondgebied, waarbij hij zijn schoonvader Jacobus II van Engeland ten val bracht. Toen Willem III ook in Engeland aan de macht was, kon hij zich nog sterker richten op het bestrijden van de Franse hegemonie. Hij speelde een belangrijke rol in anti-Franse coalities tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en tot aan zijn dood in 1701 in de Spaanse Successieoorlog (1701-1713).

Politiek en militair zat de Republiek in het daaropvolgende tweede stadhouderloze tijdperk op de tweede rang. Economisch speelde na veertig jaar oorlog met Frankrijk de enorme staatsschuld een grote rol, waarbij vooral na de Spaanse successieoorlog bleek dat de Republiek boven haar macht werkte en afhankelijk werd van Groot-Brittannië. De Zeven Provinciën werden een nachtwakersstaat. Waar het bestuur van het land eerder weliswaar geen democratie was geweest, maar het volk wel invloed uit kon oefenen, was het nu in handen van een regentenklasse die zich steeds meer afsloot. Internationaal kon de politiek lange tijd gebaseerd worden op het uitspelen van de Frans-Britse tegenstellingen, maar na de Zevenjarige Oorlog had zich in Europa een nieuw machtsevenwicht gevormd, waardoor dit niet meer werkte en de Republiek steeds meer werd overgeleverd aan de welwillendheid van de grootmachten.

Het Groote Tafereel der Dwaasheid, 1720.
Een hausse brak aan in Engeland toen er een einde kwam aan de South Sea Bubble en in Frankrijk aan de Mississippi Company van John Law. Ook de beurs in Rotterdam kreeg klappen vanwege een scherpe koersval, maar minder ernstig dan in Londen en Parijs, waar veel actionisten door windhandel aanzienlijke verliezen leden. In Amsterdam werd het Engelse koffiehuis in de Kalverstraat bestormd. De burgemeesters verboden de makelaars nog langer te handelen in de bubbel- en windnegotie.

Met de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) kwam een einde aan bijna een eeuw van bondgenootschap. De oorlog verliep rampzalig voor de Republiek en de binnenlandse ontevredenheid escaleerde in 1786 en 1787 onder de patriotten. Op lokaal niveau begon een revolutie af te tekenen, maar met een Pruisische inval kwam het tot de Oranjerestauratie. Veel patriotten vluchtten naar Frankrijk, waar zij een niet onbelangrijke rol hadden in de Franse Revolutie. Zij zouden terugkeren naar de Republiek tijdens de Bataafse revolutie.

Bataafse tijd[bewerken]

Na de Franse revolutie vielen in 1795 de Franse troepen Nederland binnen. Zij bezorgden daarbij de patriotten, die samen met de Franse legers weer terugkeerden, alsnog de macht en vestigden de Bataafse Republiek. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland. Binnenlands was er aanvankelijk enige onafhankelijkheid. Met de Staatsregeling van 1798 werd de eerste Nederlandse grondwet ingevoerd, een radicale breuk met het provincialisme en op staatkundig gebied de belangrijkste verandering sinds de Opstand.

Economisch gezien was er echter door de oorlog met Engeland sprake van een sterke achteruitgang. Nederland veranderde in een agrarische samenleving waarbij zelfs Amsterdam een groot deel van zijn bevolking verloor. In etappes werd het land daarna ingelijfd door het Franse Keizerrijk. Van 1806-1810 werd Nederland het Koninkrijk Holland met Lodewijk Napoleon Bonaparte als koning. In 1813 verlieten de Franse troepen het land. Hoewel de rol van Oranje in de jaren daarvoor voorbij leek te zijn, werd de zoon van de overleden Willem V gevraagd soeverein vorst te worden. Vooral de invoering van de Franse wetgeving en bestuur, die gewestelijke en lokale verschillen had uitgewist, zou echter van blijvende betekenis blijken.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden[bewerken]

Willem I werd in 1813 soeverein vorst en in 1815 de eerste koning der Nederlanden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden waarbij na het Congres van Wenen noord en zuid verenigd werden. Daarmee was hij de tweede Nederlandse koning, na Lodewijk Napoleon Bonaparte. Willem I pakte de wederopbouw krachtig aan. Zo liet hij talrijke kanalen graven en wegen verbeteren. De in het zuiden in de Franse tijd florerende industrie werd gestimuleerd, terwijl in het noorden de nadruk lag op het herstel van de handel en scheepvaart. Zo voortvarend als Willem de economie stimuleerde, zo conservatief was echter zijn politiek. De taaldwang zorgde voor de nodige weerstand in het zuiden, terwijl de katholieken vrijheid van onderwijs en godsdienst eisten en de liberalen bezwaren hadden tegen de autoritaire regeerstijl van Willem I. Dit leidde tot het Monsterverbond en uiteindelijk de Belgische afscheiding.

Koninkrijk der Nederlanden[bewerken]

De kostbare volhardingspolitiek van Willem I resulteerde in hoge financiële lasten. Het was duidelijk dat Nederland tot de kleine mogendheden behoorde en het begon noodgedwongen met een neutraliteitspolitiek.

Het revolutiejaar 1848 verliep in Nederland relatief rustig, omdat Willem II een nieuwe grondwet liet ontwerpen door Thorbecke. De schoolstrijd zou daarna een belangrijk onderdeel van de politiek vormen, waarin zich confessionele partijen begonnen te vormen in oppositie tegen het jarenlange overwicht van de liberalen.

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam eindelijk de industrialisatie op gang die elders in Europa al eerder had plaatsgevonden. Hierdoor werden de onderste sociale lagen van de samenleving zichtbaar als arbeidersklasse en uiteindelijk een arbeidersbeweging. Naast de schoolstrijd werden uitbreiding van het kiesrecht en verbetering van de sociale omstandigheden van de arbeiders belangrijke politieke thema's. Geleidelijk verdween de echte armoede, terwijl arbeidsvoorwaarden een wettelijke basis kregen. Er begon zich een verzuiling af te tekenen die met het burgerlijk karakter tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw de Nederlandse samenleving zou kenmerken.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wist Nederland neutraal te blijven, maar het was wel het einde van de sterke economische groei. Onder druk van de oorlogsomstandigheden kwam een einde aan de schoolstrijd en voor mannen werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, twee jaar later gevolgd door het vrouwenkiesrecht. De sociale kwestie werd echter niet opgelost en na de vergissing van Troelstra was de positie van de socialisten ernstig verzwakt.

Het centrum van Rotterdam na het bombardement in 1940.

In de periode na de Eerste Wereldoorlog volgde een flinke economische opleving in Nederland en werd de infrastructuur uitgebreid en in de industriële sector groeiden enkele zeer grote bedrijven. Ook begon er langzaam een sociaal stelsel te ontstaan. Getracht werd ideologische tegenstellingen op te lossen met een pacificatiepolitiek, wat vooral bij levensbeschouwelijke kwesties niet altijd lukte. De crisis van de jaren dertig die begon in 1929 bracht na een periode van voorspoed werkloosheid die ondanks enorme staatsreserves niet grondig werd bestreden. De crisis duurde in Nederland bijzonder lang om te worden gevolgd door de Tweede Wereldoorlog. Dit zou uiteindelijk een toenemende invloed van de staat op de samenleving tot gevolg hebben.

Duitsland viel op 10 mei 1940 Nederland onverhoeds aan, en Japan deed hetzelfde in Nederlands-Indië in januari 1942. De oorlog kostte in Nederland uiteindelijk tweehonderdduizend mensen het leven, waaronder ruim honderdduizend Joden — 75% van de Joodse bevolking in Nederland — die werden omgebracht in vernietigingskampen. Slechts een klein deel kon overleven door onder te duiken. In Nederlands-Indië stierven ongeveer 3 miljoen burgers de hongerdood. Tijdens de bezetting gebruikte het nationaalsocialistische bestuur Nederland als wingewest om de oorlog te ondersteunen en probeerde daarnaast de bevolking te nazificeren. Er trad grootschalige collaboratie op van vrijwel het gehele overheidsapparaat en bedrijfsleven. Ruim 500.000 mannen werden ingezet voor dwangarbeid, voornamelijk in Duitsland. Vanaf de Februaristaking kreeg het verzet meer omvang, terwijl dat uiteindelijk leidde tot de onderduik van 350.000 Nederlanders.

Na de oorlog werd afstand gedaan van de falende neutraliteitspolitiek met het lidmaatschap van de VN, de EG en vooral de NAVO tijdens de Koude Oorlog. Nederlands-Indië ging na een onafhankelijkheidsstrijd verloren. Dit gold tot zwarte Sinterklaas in 1957 niet voor de economische banden met Indonesië die naast het Marshallplan van groot belang waren voor de wederopbouw.

Een stronttonnetjesschepper in 1953 met uitwerpselen in de Jordaan in Amsterdam op weg naar de beerkar, spottend boldootkar genoemd. De maatschappij veranderde sneller dan ooit.

Hoewel de oorlog het land berooid en vernield achter had gelaten, verliep deze wederopbouw zeer voorspoedig, mede door grote Amerikaanse steun via de Marshallhulp. De verzorgingsstaat kon verder uitgebreid worden. In de jaren vijftig was de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland verbeterd door de geleide loonpolitiek. Het decennium daarop zag de ontdekking van de aardgasbel en met grote loonsverhogingen het begin van de consumptiemaatschappij. Er ontstond een jeugdcultuur die zich juist afzette tegen de oudere generatie, terwijl de seksuele moraal vrijer werd. Ook andere sociale bewegingen zoals die van de homo-emancipatie en de vrouwenbeweging lieten sterk van zich horen, al loopt de vrouwenemancipatie tot op heden achter ten opzichte van omringende landen. Parallel aan de ontzuiling speelde zich vanaf deze periode de ontkerkelijking af. Met de talloze nieuw gevormde sociale bewegingen, waaronder de milieubeweging, ontstonden nieuwe culturele oriëntaties.

Na de oliecrisis volgde een economische neergang. Vooral de arbeidsintensieve industrie trok weg naar lagelonenlanden. De daarop volgende grote werkloosheid sloeg vooral toe onder laag opgeleiden, waaronder veel gastarbeiders, die tijdens de stormachtige groei van de jaren zestig waren aangetrokken. Uiteindelijk bleek de verzorgingsstaat hierdoor niet in volle omvang houdbaar te zijn.

In de jaren negentig trok de Nederlandse economie weer aan. De hier en daar sluimerende bezorgdheid over de omvang en vaak afwijkende gewoonten van etnische minderheden werd gearticuleerd door de nieuwe politicus Pim Fortuyn. Frustratie over het vermeende falende overheidsbeleid bleek nadat negen dagen na de moord op Fortuyn diens partij, de LPF, een ongekende verschuiving teweegbracht in de Tweede Kamerverkiezingen van 2002.

Waar in de jaren zestig universele waarden voorrang moesten krijgen, werd vanaf nu weer aandacht gevraagd voor de nationale cultuur die gevaar zou lopen door enerzijds de Europese eenwording en anderzijds de grote groepen etnische minderheden. De moord op Theo van Gogh leek de bevestiging van wat door Paul Scheffer is aangeduid als het multiculturele drama van een etnische onderklasse die maar ten dele integreert, met mogelijke radicaliseringstendensen tot gevolg. Terwijl de traditioneel geachte tolerantie jegens immigranten verminderde, bleef deze op andere vlakken bestaan, blijkens de invoering van het homohuwelijk en de relatief liberale regelgeving omtrent abortus, euthanasie, prostitutie en softdrugs.

Nationaal is er na de ontzuiling voor vele mensen geen duidelijke ideologische stroming meer waar zij zich naar kunnen richten, waaraan ook het einde van de Koude Oorlog en de hiermee samenhangende verschuivingen van de internationale verhoudingen heeft bijgedragen. Daarnaast zijn er de problemen met integratie die door Pim Fortuyn zijn benoemd, die om een oplossing vragen. Desondanks is Nederland een zeer welvarend land met een goede sociale zorg en een stabiele samenleving, dat ondanks de recente politieke moorden een relatief geweldsarme ontwikkeling heeft doorgemaakt.

Bevolking van Nederland[bewerken]

1rightarrow.png Zie Bevolking van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland heeft 17.273.746 inwoners (per 1 juli 2018) de dichtheid in 2018 is 510 inw/km² . Vergeleken met de rest van Europa is de Nederlandse bevolking de laatste anderhalve eeuw relatief snel gegroeid:
Bevolkingsgroei in Nederland 1900 t/m 2006 (gebaseerd op gegevens van het CBS)

1850-1949
  • 3 miljoen in 1850
  • 5 miljoen in 1900
  • 6 miljoen in 1911
  • 8 miljoen in 1931
1950-heden
  • 10 miljoen in 1950
  • 12 miljoen in 1963
  • 15 miljoen in 1990
  • 16 miljoen in 2000
  • 17 miljoen in 2017[3]

Van 1850 tot 1949 is de bevolking van Nederland meer dan verdrievoudigd (en dus in 100 jaar met meer dan 200% gegroeid), en in 1963, over een periode 14 jaar daarna, was zij zelfs al verviervoudigd. Vanaf 1963 tot heden, in 53 jaar, is zij met nog eens met 5 miljoen (ruim 40%) gegroeid. Ter vergelijking: de Belgische bevolking groeide van anderhalf keer zo groot als die van Nederland (4,5 miljoen in 1850) tot ruim een derde kleiner (10 miljoen in 2000).

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zal Nederland in 2029 18 miljoen inwoners tellen.[4]

Demografische kenmerken[bewerken]

Sjabloon:Zie ook

Bevolkingsdichtheid in Nederland per provincie.

Met een bevolkingsdichtheid van Sjabloon:Statsland-dichtheid hoort Nederland bij de 30 dichtstbevolkte landen ter wereld. Nederland telt geen enkele stad met meer dan een miljoen inwoners; wel zijn er 31 gemeenten die meer dan 100.000 inwoners hebben. De vier grootste steden zijn Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, alle vier gelegen in het westen van het land. Daartussen en daaromheen ligt een krans van middelgrote plaatsen, die tezamen de zogeheten Randstad vormen. Ongeveer 40% van de Nederlandse bevolking is hier op een veel kleiner percentage van het landoppervlak geconcentreerd rondom een betrekkelijk open ruimte, het zogeheten Groene Hart.

Zuid-Holland is met meer dan 3,6 miljoen inwoners de volkrijkste provincie van het land, gevolgd door Noord-Holland met 2,7 miljoen inwoners, en Noord-Brabant met 2,5 miljoen inwoners. De enige andere provincie met meer dan 2 miljoen inwoners, is Gelderland. Naast de Randstad, vormen vijf steden in Noord-Brabant het samenwerkingsverband BrabantStad; met een verzorgingsgebied van 1,5 miljoen mensen en 20% van de industriële productie van Nederland een andere belangrijke stedelijke regio. Deze regio vormt samen met nog 15 andere gemeenten de agglomeratie Brabantse Stedenrij. In het oosten zijn de Stadsregio Arnhem Nijmegen (SAN) (vroeger beter bekend als Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN)) en Twentestad twee agglomeraties van kleinere omvang, alsmede het verstedelijkte zuiden van Limburg in het uiterste zuiden, met daarin de stedelijke gebieden van Maastricht, Sittard-Geleen en de voormalige plusregio Parkstad Limburg. Zuid-Limburg is daarnaast ook deel van de sterk verstedelijkte grensoverschrijdende Euregio Maas-Rijn, waarin het samenwerkt met Duits en Belgisch aangrenzend gebied. In totaal heeft de Euregio Maas-Rijn circa 3,9 miljoen inwoners. Daarnaast is er in het noorden nog het samenwerkingsverband tussen gemeenten rondom de steden Groningen en Assen, samenwerkend in de regio Groningen-Assen. In totaal woont 82% van de Nederlanders in een stedelijk gebied.[5]

Nederland heeft door de eeuwen heen een aanzienlijke immigratie gekend, die in meer of mindere mate geïntegreerd en geassimileerd zijn. Volgens cijfers van het CBS van 1 januari 2005 is 80,9% van de bevolking Nederlands, 2,4% Indonesisch, 2,4% Duits, 2,2% Turks, 2,0% Surinaams, 1,9% Marokkaans, 0,8% Antilliaans en Arubaans en 6,0% anders.[6] In de periode 1845-1860 en de eerste 20 jaar na 1945 zijn ook aanzienlijke aantallen Nederlanders geëmigreerd, vooral naar de Verenigde Staten, Canada, Australië, Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland.

Sinds 2005 zijn de Friezen erkend als nationale minderheid onder het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden.

Taal[bewerken]

1rightarrow.png Zie Talen in Nederland, Nederlands in Nederland en Nederlandse dialecten voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.
Plaatsnaambord in Hindeloopen (Fries: Hylpen). In de provincie Friesland is het Fries een officiële bestuurstaal naast het Nederlands.

De officiële landstaal is het Nederlands. Daarnaast zijn er verschillende andere talen officieel. In de provincie Friesland is het Fries een officiële taal. Op het eiland Bonaire is Papiaments een officiële taal, en op de eilanden Saba en Sint Eustatius is het Engels een officiële taal.[7] Deze talen worden ook op regionaal-bestuurlijk niveau gebruikt, en als voertaal gebruikt op basisscholen. Het Jiddisj en het Sinti-Romanes zijn in 1996 door Nederland erkend als non-territoriale talen. Verder worden het Nedersaksisch en het Limburgs deels door het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden erkend als streektaal.[8]

Een groot deel van de Nederlandse bevolking spreekt één of meer andere talen. Verantwoordelijk hiervoor is het uitgebreide taalonderwijs; op vrijwel alle basisscholen wordt Engels onderwezen, het contact met buurlanden en de aanwezigheid van allochtonen zelf. Engels, Duits en Frans worden door veel Nederlanders als tweede taal gesproken. Veel allochtonen van de eerste en tweede generatie spreken nog hun oorspronkelijke taal. Daardoor zijn er nog grote groepen Nederlanders die Indonesisch, Hindi, Ambonees, Surinaams, Turks, Berbertalen, Marokkaans-Arabisch, Chinees/Kantonees, Koerdisch, Kaapverdiaans, Urdu en Vietnamees spreken.

Geografie[bewerken]

Nederland zonder dijken. Ongeveer 27% van de oppervlakte van Nederland, waaronder grote delen van het dichtbevolkte en economisch belangrijke westen, ligt beneden NAP.
De Oosterscheldekering, die de Oosterschelde afsluit, gezien uit de lucht. Deze stormvloedkering is onderdeel van de Deltawerken.
Nederland vanuit de ruimte gezien door de Sentinel-1A satelliet

Nederland ligt in het noordwesten van Europa en wordt begrensd door de Noordzee, Duitsland en België. De lengte van de landsgrens bedraagt 1027 km, terwijl de kustlijn 451 km lang is. Daarnaast behoren enkele eilanden rond de Caribische Zee tot Nederland. Deze verschillen geografisch sterk van het Europese deel van Nederland, en worden hier afzonderlijk behandeld.

Water[bewerken]

1rightarrow.png Zie waterstaat in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland wordt zowel in het noorden als westen omringd door de Noordzee. In het noorden wordt een duinenrij gevormd door de Waddeneilanden, een serie barrière-eilanden waarachter zich de ondiepe Waddenzee bevindt. Midden in het land ligt het IJsselmeer (de voormalige Zuiderzee), een grote binnenzee die sinds de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 van de Waddenzee is afgesloten en sindsdien zoet water bevat. Andere zee-armen en estuaria zijn de Dollard en de Lauwers in het noorden en het Hollandsch Diep, het Haringvliet, het Grevelingenmeer en de Ooster- en Westerschelde in het zuidwesten. De Nederlandse kust ondervindt een dubbeldaags getij waarvan de amplitude langs de kust varieert tussen 1,5-2 meter. De wind kan hier een sterke invloed op hebben. Naast de verticale waterbeweging, is er ook een horizontale waterbeweging, de getijstroom. Door een gunstige zeewatertemperatuur van 3°C in de winter en 16°C in de zomer zijn vooral de Waddenzee en de Oosterschelde belangrijk als kraamkamer van onder meer schol, tong en mosselen.

Uit de waterbalans van Nederland blijkt dat vooral de toevoer via de Rijn van belang is voor Nederland. Deze voert zelfs meer dan tweemaal zoveel water aan als door neerslag wordt geleverd. Een groot deel van Nederland is gevormd uit de delta van de Rijn, de Maas en de Schelde. De Maas en de Rijn vormen samen met de Waal, de Lek en de Merwede bovendien de grote rivieren, een rivierengebied dat een natuurlijke barrière tussen het noorden en zuiden van het land is. De IJssel, soms ook tot de grote rivieren gerekend, is een vertakking van de Rijn die noordwaarts stroomt en uitmondt in het IJsselmeer. Meren komen vooral in West-Nederland en Zuidwest-Friesland voor. Daarnaast zijn er door het afgraven van veen voor de turfwinning (vervening) veel plassen ontstaan. Voor de drinkwatervoorziening is met een aandeel van circa 70% vooral het grondwater van belang. Uitzondering hierop is de Randstad, die ondanks de aanwezigheid van een zoetwaterzak onder de duinen, vooral is aangewezen op oppervlaktewater.

De eeuwenlange strijd tegen het water heeft een duidelijke invloed gehad op de inrichting van Nederland. Door overstromingen en menselijk ingrijpen is de kustlijn in de loop van de geschiedenis aanzienlijk veranderd. Ingrijpende rampen waren de stormvloed van 1134, waarbij Zeeland in een archipel veranderde, de Sint-Luciavloed (1287), de Sint-Elisabethsvloed (1421) en als laatste de watersnoodramp van 1953. Bij overstromingen ontstonden nieuwe zee-armen of getijdengebieden op de plek waar eerder land lag. Om het land tegen het water te beschermen worden al sinds de Middeleeuwen langs de kust en de rivieren dijken aangelegd.[9] Een ander project in de strijd tegen het water zijn de Deltawerken, die zijn aangelegd tussen 1958 en 1997. Het hele Deltaplan omvatte het ophogen van meer dan 3000 kilometer zeedijk en meer dan 10.000 kilometer binnendijk langs kanalen en rivieren tot deltahoogte. Ook werden de zee-armen die in de loop der tijd in het zuidwesten van Nederland waren ontstaan door dijken van de zee afgesloten. Een andere vorm van menselijk ingrijpen in de natuur zijn de grote stukken land die door de mens zijn drooggelegd en gewonnen op het water, de zogenaamde polders. Bij voormalige meren of plassen worden deze nieuwe stukken land droogmakerijen genoemd. De grootste polders zijn de Zuiderzeewerken, die in de 20e eeuw zijn aangelegd en gezamenlijk meer dan 2500 vierkante kilometer nieuw land beslaan.

Geologie[bewerken]

1rightarrow.png Zie ontstaan van de Nederlandse ondergrond en geologie van Nederland en Vlaanderen voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Het tegenwoordige Nederlandse landschap is grotendeels gevormd in de laatste 150.000 jaar. De geologische structuur van de Nederlandse ondergrond wordt gekenmerkt door een serie horsten en slenken, die onderdeel vormen van een grote tektonische structuur die dwars door Europa loopt, van de Middellandse Zee bij Marseille tot onder de Noordzee. Het zuidoosten van het land ligt boven het Beneden-Rijnslenkensysteem, waar nog steeds verzakkingen in de aardkorst plaatsvinden. In 1992 (Roermond) en 2002 (Aken, net over de grens) vonden hier nog kleine aardbevingen plaats. De Beneden-Rijnslenk gaat in het westen van Nederland over in het West-Nederlands Bekken, dat op zijn beurt overgaat in vergelijkbare slenkstructuren in de ondergrond onder de Noordzee.

Zoals de naam van het land al aangeeft, is Nederland laag gelegen. Het grootste gedeelte van Nederland bestaat uit een kustvlakte die geologisch gezien tot het Noordzeebekken behoort, een groot geologisch bekken waarvan de Noordzee zelf het centrale deel vormt. Het Noordzeebekken vormde zich vanaf het Krijt, ongeveer 60 miljoen jaar geleden. Hoewel er actievere en minder actieve fasen waren, vond gedurende deze tijd in dit bekken bodemdaling en sedimentatie plaats. De randen van het Noordzeebekken vormden, tot de mens de laatste duizend jaar een belangrijke invloed op het landschap werd, een voorbeeld van een zich op natuurlijke wijze ontwikkelend kustgebied. Terwijl het centrale deel van de Noordzee bedekt is door de zee zelf, worden de randen opgeëist door delta's van de grote rivieren die in de zee uitmonden. Op de overgang tussen water en land vormden zich door de werking van de zee stranden, duinen en waddengebieden. De kustvlaktes, die zich door de afzetting van het riviersediment vormden, bevatten ook moerassen en meren.

Verreweg het meeste gesteente dat in Nederland dagzoomt is afgezet tijdens het Kwartair. De formaties van de Boven-Noordzee Groep vormen het grootste deel van het oppervlak van Nederland. Belangrijke formaties zijn de Formatie van Naaldwijk, waarvan het zand en de klei in een groot deel van het westen en het noorden van Nederland aan de oppervlakte ligt, en de uit veen bestaande Formatie van Nieuwkoop. Het zand van de Formatie van Boxtel is te vinden in het oosten en zuiden, terwijl rond de rivieren de afzettingen van de Formatie van Echteld zijn te vinden. Alleen op kleine plekken komen oudere gesteenten aan het oppervlak. Een uitzondering is Zuid-Limburg, waar het Krijt op veel plekken aan het oppervlak ligt. Alle gesteenten uit de laatste 65 miljoen jaar, het Kwartair en Tertiair samen, worden in Nederland de Noordzee Supergroep genoemd. Deze kan in de slenken vele tientallen kilometers dik zijn en is op de horsten ook nog steeds kilometers dik.

Zoals in grote delen van West-Europa, bevindt zich in het Nederlandse Carboon steenkool, die in Zuid-Limburg tot halverwege vorige eeuw door de mijnbouw gewonnen werd. In de ondergrond van het West-Nederlands Bekken en onder de Noordzee wordt ook aardolie gewonnen, hoewel dit beperkt is vergeleken met de veel grotere Noorse reserves onder de noordelijke Noordzee. Er zijn twee soorten aardgas in de Nederlandse ondergrond te vinden: droog aardgas, dat samen met de steenkool is ontstaan (voornamelijk in het Carboon) en nat aardgas, dat samen met aardolie is ontstaan, voornamelijk in het Krijt. De eerste soort komt vooral onder het land voor, de tweede soort onder de Noordzee en in het West-Nederlands Bekken. Het grootste Nederlandse gasreservoir is het aardgasveld van Slochteren in het noorden van het land. De Slochteren Formatie maakt onderdeel uit van de Boven Rotliegend Groep.

Landschap[bewerken]

1rightarrow.png Zie Nederlandse landschappen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het landschap van Nederland is bijna overal vlak. Geringe hoogteverschillen komen voor in het oosten en zuiden van het land, grotendeels veroorzaakt tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien van 238.000 tot 128.000 jaar geleden. De ijskap reikte zo ver naar het zuiden, dat het noorden van Nederland door gletsjers bedekt werd. Dit dwong de grote rivieren hun loop te verleggen tot de huidige oost-west lopende ligging. Tegelijkertijd werkte de stuwende kracht en het gewicht van de gletsjertongen op de ondergrond. Dit zorgde voor het ontstaan van een afwisseling van stuwwallen, zoals de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe, de Sallandse Heuvelrug en glaciale bekkens, zoals de Eemvallei en de IJsselvallei.

De Haarlemmermeer is een droogmakerij, een door mensen bemalen watervlakte, en daarmee de ultieme vorm van een cultuurlandschap.

Alleen het uiterste zuiden van de provincie Limburg (Zuid-Limburg) vertoont significante reliëfverschillen. De 323 meter hoge Vaalserberg in Limburg, met als top het Drielandenpunt met Duitsland en België, is de hoogste heuvel van (Europees) Nederland. Het laagste punt van Nederland bevindt zich in de buurt van Nieuwerkerk aan den IJssel en bevindt zich 6,76 meter onder NAP.

Het Nederlandse landschap bestaat grotendeels uit cultuurlandschappen en daarnaast uit beheerde natuurgebieden. In de afgelopen eeuwen is de levende natuur niet alleen veranderd, maar door verkleining en versnippering van de leefgebieden en milieuvervuiling in kwaliteit en kwantiteit ook achteruitgegaan. Via natuurbeleid en de activiteiten van particulieren wordt geprobeerd het tij te keren, onder andere via natuurontwikkeling en het herstel van min of meer oorspronkelijke landschappen. Dergelijke natuurontwikkelingsgebieden vinden we bijvoorbeeld langs de grote rivieren, onder andere bij de Gelderse Poort. Daarnaast zijn er in Nederland vele oudere natuurgebieden met onder meer bos, duin en heide. Er zijn bovendien twintig nationale parken, waarvan het Zeeuws Nationaal Park Oosterschelde het grootste is en Veluwezoom en De Hoge Veluwe in Gelderland de oudste zijn.

Het Nederlandse landschap kan worden ingedeeld op verschillen in substraat, bodem, waterhuishouding en de ontginningsgeschiedenis. Het grootste deel van het oppervlak van Nederland bestaat uit de Boven-Noordzee Groep. Belangrijke landschapstypen zijn het duinlandschap, het rivierkleilandschap, het zeekleilandschap, het veenlandschap, het zandlandschap en het krijt-lösslandschap. Andere indelingen leggen meer de nadruk op de cultuurhistorie. Zo onderscheidt men bijvoorbeeld het esdorpenlandschap en het terpenlandschap. In zogenaamde nationale landschappen worden belangrijke cultuurlandschappen beschermd zoals het Groene Hart in de Randstad.

Klimaat[bewerken]

1rightarrow.png Zie klimaat van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Sneeuw, zoals hier in Amsterdam, is tijdens de Nederlandse winters geen ongebruikelijk fenomeen.

Nederland heeft een zogenaamd Cfb-klimaat, een gematigd zeeklimaat met milde winters en koele zomers. Het klimaat wordt beïnvloed door de Noordzee die het gehele jaar de temperatuur matigt, waarbij zowel de dagelijkse als jaarlijkse temperatuurschommelingen toenemen richting het oosten. Hoewel er de laatste decennia een stijging van de gemiddelde temperatuur is waar te nemen, is door de grote natuurlijke temperatuurfluctuaties nog niet met zekerheid te zeggen of dit het gevolg is van een versterkt broeikaseffect en rechtstreeks samenhangt met de wereldwijde opwarming.

Met circa 1600 zonuren heeft de kust de meeste zonuren, terwijl de Achterhoek met ongeveer 1450 uur de minste zonneschijn heeft. Ondanks het imago van regenland, regent het gemiddeld slechts 8% van de tijd. In de zomer is er vooral op grasland een verdampingsoverschot, maar gemiddeld is er jaarlijks een neerslagoverschot, het grootst op de Veluwe. Het natst zijn de Veluwe, Drenthe en Zuid-Limburg, het droogst het centrale deel van Limburg met minder dan 700 mm.

Sjabloon:Tabel weergemiddelden

Flora en fauna[bewerken]

1rightarrow.png Zie flora en fauna in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Pas sinds 1949 komt de Turkse tortel in Nederland voor.

De flora en fauna van Nederland zijn relatief goed onderzocht. Er is een lange traditie van floristisch en faunistisch onderzoek, dat uitgevoerd wordt door organisaties als SOVON, FLORON en De Vlinderstichting. Sommige verenigingen voor natuurstudie zijn al meer dan honderd jaar actief, zoals de Nederlandse Entomologische Vereniging, de Vogelbescherming Nederland, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (Vereniging voor veldbiologie) en de Nederlandse Mycologische Vereniging. Het is bekend dat Nederland relatief erg soortenarm is, deels als gevolg van de IJstijden en deels vanwege de eenvormige geografie. Van de hogere plantensoorten komt de helft uitsluitend voor in twee uitzonderlijke gebieden: Zuid-Limburg en Oostvoorne. Het meest belangrijke natuurgebied is de Waddenzee, of, als alleen het landoppervlak beschouwd wordt, het duingebied.

Menselijk ingrijpen, zowel direct (kap van bossen, ontginningen, wegenaanleg, etc) als indirect (overbemesting) heeft grote invloed op het huidige landschap, de flora en de fauna. Veel dier- en plantensoorten dreigen te verdwijnen. Om dit te voorkomen zijn zogenaamde rode lijsten gemaakt waarop de meest bedreigde soorten staan. Sommige soorten passen zich juist aan aan de menselijke cultuur, zoals de merel en de koolmees.

In Nederland worden zogenaamde floradistricten onderscheiden op grond van verschillen in klimaat, bodem en waterhuishouding; deze districten hebben eigen plantensoorten. De 23e druk van de standaardflora Heukels' Flora van Nederland hanteert 15 floradistricten, die dan meest worden ingedeeld bij de West-Europese floraregio. In Nederland komen circa 1400 soorten hogere planten voor en 600 soorten mossen. Daarnaast zijn er duizenden soorten die niet meer tot de planten worden gerekend zoals zo'n 4000 à 5000 soorten paddenstoelen (macrofungi) of andere schimmels, en een paar duizend soorten korstmossen en algen.

Ook voor een aantal dieren worden geografische districten onderscheiden, zoals voor onder andere broedvogels. In Nederland komen ruim 50 soorten zoogdieren voor, zo'n 600 soorten broed- en trekvogels, tientallen vissoorten, ruim 50 dagvlinders (bij 2000 totaal aan vlinders) en duizenden ongewervelden. Ondanks de geringe afmetingen heeft Nederland toch endemische dieren (die alleen in Nederland voorkomen), zoals de Grote vuurvlinder en Microtus oeconomus arenicola (een ondersoort van de Noordse woelmuis).

Door de ligging in Europa en het intensieve verkeer is er een regelmatige aanvoer van adventieven, die zich soms met enig succes vestigen, zoals de halsbandparkiet en de driehoeksmossel, maar slechts vrij zelden een permanente plaag vormen; mogelijke uitzonderingen zijn de waterpest en de bospest. De soorten die hier voorkomen zijn bijna allemaal relatieve nieuwkomers (van na de IJstijden); zo zijn het konijn, de fazant en de tamme kastanje in historische tijden ingevoerd. De hier algemene soorten zijn erg concurrentiekrachtig.

Er is met enig succes 'nieuwe natuur' aangelegd, met name in het gebied de Oostvaardersplassen, waar veel soorten gedijen. Er wordt geprobeerd soorten die hier in historische tijden zijn uitgeroeid opnieuw te introduceren, soms met succes, zoals de raaf en de bever. Van andere soorten zoals de otter blijft het resultaat onzeker. Dit laatste geldt voor een Europees project voor herintroductie van de zalm. De zeearend vestigt zich, zij het aarzelend, op eigen gelegenheid. Terugkeer van wat grotere roofdieren als de wolf en de lynx blijft controversieel. Dit geldt ook voor herintroductie van plantensoorten door zaaien en herstel van natuurgebieden door ingrepen als bekalken (om de verzuring tegen te gaan).

'Caribisch' Nederland[bewerken]

The Quill torent boven Sint Eustatius uit.
Bonaire heeft een steppeklimaat.

Bovenwinds[bewerken]

De eilanden Saba en Sint Eustatius behoren tot de bovenwindse eilanden van de Kleine Antillen. Deze bovenwindse eilanden, waartoe ook Sint Maarten behoort, vormen een langgerekte groep, die zich uitstrekt tussen Puerto Rico en de Venezolaanse kust. De groep bestaat uit twee bogen, die zijn ontstaan door subductie van de Zuid-Amerikaanse Plaat onder de Caribische Plaat. De eilanden hebben hun ontstaan dan ook te danken aan vulkanische activiteit. De binnenste boog, waartoe Saba en Sint Eustatius behoren, is vulkanisch nog enigszins actief. De beide eilanden worden gedomineerd door een slapende vulkaan die het hoogste punt van ieder van de eilanden vormt. The Quill op Sint Eustatius heeft een hoogte van 601 meter, en het hoogste punt van Saba, Mount Scenery, is met 887 meter ook het hoogste punt op Nederlands grondgebied (en in het gehele Koninkrijk der Nederlanden).

Het klimaat op beide eilanden kan, afhankelijk van de hoogte, in de klimaatclassificatie van Köppen worden ingedeeld als Aw (tropisch savanneklimaat) in de laaggelegen gebieden tot Am (moessonklimaat) in de hoger gelegen gebieden, met Af (tropisch regenwoudklimaat) op Mount Scenery en wellicht ook op The Quill.[10]

Benedenwinds[bewerken]

Het eiland Bonaire maakt deel uit van de benedenwindse eilanden van de Kleine Antillen. Deze eilanden, die naast Bonaire ook Aruba, Curaçao en de Venezolaanse eilanden omvatten, liggen vlak voor de kust van Venezuela. Aangenomen wordt dat ze evenals de bovenwindse eilanden van vulkanische oorsprong zijn, maar alleen de oudste gesteenten zijn vulkanisch en het grootste deel van de eilanden bestaat uit kalkachtig gesteente.

Het klimaat op het westelijke deel van deze eilanden is vergelijkbaar met dat van het nabijgelegen vasteland, semi-aride tot aride. Bonaire heeft een BS-klimaat (steppeklimaat) in de classificatie van Köppen.

Provinciën[bewerken]

1rightarrow.png Zie Bestuurlijke indeling van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Provincie Bevolking
(per 30-09-2012)
Inw./km² Hoofdstad
Groningen 582.161 250 Groningen
Friesland
Officieel Fryslân
647.239 194 Leeuwarden
Drenthe 489.912 185 Assen
Overijssel 1.138.571 342 Zwolle
Flevoland 397.772 281 Lelystad
Gelderland 2.013.903 405 Arnhem
Utrecht 1.243.161 898 Utrecht
Noord-Holland 2.719.764 1018 Haarlem
Zuid-Holland 3.560.205 1265 Den Haag
Zeeland 381.202 213 Middelburg
Noord-Brabant 2.470.184 502 's-Hertogenbosch
Limburg 1.121.483 521 Maastricht
Overzicht van de 12 Nederlandse provincies, met provinciehoofdsteden en steden met meer dan 120.000 inwoners. De overzeese bijzondere gemeenten zijn ook aangegeven.

Gemeenten[bewerken]

Wat voor de provincies geldt, geldt voor de gemeenten in het kwadraat. Splitsingen, afscheidingen, deelgemeentes, fusies, agressieve overnames en wrede afstotingen vinden dagelijks plaats. Nu eens zijn er 732, dan weer 1066, dan weer, in de telling van een andere ambtenaar 56. Wij noemen hier de belangrijkste, aan de hand van de officiële grootste gemeentelijke deler:

Steden, dorpen en gehuchten[bewerken]

De Hoofdstad van Nederland is Madurodam, maar vele steden, waaronder het stadstaatje De Efteling bestrijden dit zo nu en dan, als het met de economie weer wat beter gaat.

Economie[bewerken]

Import
  • Vreemd volk
  • Bagger
  • Alles wat uit Amerika komt
Export

Volkslied[bewerken]

In het volkslied van Nederland wordt ongeveer elk land bezongen behalve Nederland zelf. De tune is gebaseerd op het nummer Rood van Marco Borsato. Het volkslied heeft veel fans onder Sensation en Pinkpop bezoekers. Ook wordt er vaak de volkssport Høken uitgevoerd tijdens het zingen van het volkslied. Hieronder het begin van het minder bekende 615e couplet:

Willem is met Maxima gaan trouwen
Voor 't multicultureel bloed.
d'Amerikahanen getrouwe
Want zij hebben de meeste Poet.

en het eindigt zo:

De appeltjes van Oranje
Heb ik altijd geëerd
Beha-alve die uit Palestina,
Die lui zijn echt verkeerd.

Alvorens de officiële erkenning van deze versie waren er tal van illustere voorgangers:

Het oorspronkelijke nummer, gekozen bij onafhankelijkheid, bevatte de verwijzing naar een leeuw die in zijn hemdje staat. Na jarenlang onderzoek kwam de oorzaak van deze vreemde verwijzing aan het licht. De bal ging aan het rollen toen VMW (vereniging met winstoogmerk) "Oranjehuis" naar de rechter stapte over een geschil omtrent royalty's. Jaren lang was er namelijk een exclusieve sponsordeal met het merk "Zeebonk textielSupers", dat witte (zeevaarders) hemdjes maakt. Na het naakt optreden van een lid van de koninklijke familie op nationale televisie (en dus een schending van de sponsorovereenkomst, die stelt dat de betrokken partij ten alle tijde witte hemdjes dient te dragen) probeerde het vorstenhuis om onder deze overeenkomst uit te raken. Eerder waren er al spanningen met andere leden van diezelfde VMW namelijk prins Frisco, de man achter het bedrijf jachtmeester (met de bekende slogan enkel als ie ijs- en ijskoud is). Destijds lag de oorzaak van het geschil bij de vermeende aanname van steekpenningen waarmee de betrokken persoon skireizen naar het buitenland maakte (de lawine-bestendige-2 kilometer hoge Nederlandse Alp lag destijds nog op de tekentafels).

Na een succesvolle doortocht op Pinkpop kreeg de internationale hitformatie Metal Molly de eer om een nieuwe nationale hymne te componeren. Dit nummer kreeg de naam "Orange" mee, een duidelijke verwijzing naar 's lands nationale kleur (kenners beweren dat de kleur een mengeling van blauw wit en rood is). Het lied stond bol van de verwijzingen naar elementen uit het dagelijkse Nederlandse leven. Toch was ook dit lied geen lang leven beschoren omdat verschillende strofes als aanstootgevend aanzien werden. gewraakte strofes waren onder meer "Orange can be smart" (verwijzing naar domme Belgen moppen) en "Orange can be hard" (een verwijzing naar de potige spelstijl van het nationale voetbalelftal). Na wekenlange volksprotesten op het "Plein van de lauwe pils" (de patatrevolutie)is dit nummer vervangen door de huidige nationale hymne.

Nationale Feestdagen[bewerken]

1 april(Kikker in je bil) is een jaarlijks voor iedereen terugkerend ritueel. Eén persoon zegt iets, waarop de ander verbaasd om zich heen kijkt. Tot de één zegt: "Haha! Eén April!" En de ander, schaapachtig glimlachend: "Ach ja, leuk hoor!"

Voorbeelden:
  1. - "O kijk, je veter is los." (de ander kijkt.) "Haha! 1 April!" (Ach ja... glimlach)
  2. - "O jee, je hebt poep aan je schoen". (ander kijkt vies) "Haha, 1 April!" (Jaja, leuk hoor!")
  3. - "Papa, mama heeft zich opgehangen op zolder!" (Vader kijkt) "Haha, 1 april! (vader opgelucht) Ze hangt in de kelder!" (schaapachtige glimlach)
  • 27 april - Williedag
  • 1 mei - dag van de werkloosheid
  • 5 december - Sinterklaas en Zwarte piet
  • 25 december
  • 26 december
  • 27 december - 3e kerstdag

Feiten[bewerken]

  1. Het weer
  2. Koetjes
  3. Kalfjes
  4. JIJ
  5. Kaas
  6. Frans Bauer
  7. Analoogkaas
  8. Donald Trump
  9. De kleur van de onderrok van Maartje van Wegen op Prinsjesdag
  • Er lopen enkele taalgrenzen door Nederland. Zo is bijna heel Nederland Nederlandstalig, maar loopt er dwars door de provincie Groningen een taalgrens waarachter Fries wordt gesproken, door Duivendrecht een taalgrens waarachter Engels wordt gesproken en rondom het Utrechtse dorpje Austerlitz een taalgrens waarbinnen Oostenrijks wordt gesproken. Dan dwars door de Atlantische oceaan loopt weer een taalgrens waarachter Piratenengels wordt gesproken en rondom Bonaire loopt een taalgrens waarbinnen Reggae wordt gesproken.
  • Nederland is een multicultureel land, wat een politiek correcte term is voor de aanwezigheid van een grote groep allochtonen buitenlanders moffen niet-Nederlanders. De grootste groep niet-Nederlanders in Nederland zijn Limburgers. De kleinste groep niet-Nederlanders in Nederland zijn Vaticanen.

Zie ook[bewerken]

Potatohead aqua.png
Aan de schandpaal genageld!
Vastgenagelde versie:
17 jul 2007
Dit artikel is een verschrikking! Daarom is het vastgenageld aan de schandpaal zodat iedereen er rotte groenten tegenaan kan gooien.


}

  1. Onder het koninkrijk vallen ook drie autonome landen in het Caraïbisch gebied: Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Deze landen hebben een eigen regering en wetgeving. Nederland vertegenwoordigt het koninkrijk naar buiten toe.
  2. "55 procent van Nederland gevoelig is voor overstromingen; 26 procent van Nederland ligt onder zeeniveau en 29 procent is gevoelig voor rivieroverstromingen." citaat uit het rapport van het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving), Overstromingsrisicozonering in Nederland, op 21-01-2010 gepubliceerd, op 21-11-2016 gecontroleerd [1]
  3. Bevolking; kerncijfers
  4. Prognose: 18 miljoen inwoners in 2029. CBS,18 december 2018. Geraadpleegd op 13 februari 2019
  5. CIA World Factbook: Netherlands - People, 2008
  6. Garssen, J., Nicolaas, H. en Sprangers, A. (2005) Demografie van de allochtonen in Nederland, Centraal Bureau voor de Statistiek, PDF. Pag.100
  7. Een taal erkennen, rijksoverheid.nl, ingezien 2 april 2015
  8. Talen in Nederland, Rijksoverheid, ingezien op 10 november 2014
  9. Netten, H. van, Mens - Handige kracht in het landschap, Geologie van Nederland
  10. Freitas, J.A. de; Rojer, A.C.; Nijhof, B.S.J.; Debrot, A.O.: A landscape ecological vegetation map of Sint Eustatius (Lesser Antilles), IMARES, Den Helder, 2012.