Twente

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Boerenkeizerrijk Twente
Vlag van Twente.jpg
Wapen van Twente.jpg
Vlag
Wapen
Basisgegevens
Talen Twents en (een heel klein beetje) Nederlands
Hoofdstad Enschede
Regeringsvorm Boerenkeizerrijk
Religie Heidens
Inwoners 267.090
Staatshoofd Herman Finkers
Overige
Volkslied "You'll never walk alone"
Motto "Ze mot ze a'maal doodschèèten!"
Munteenheid Euro (hoewel er nog voornamelijk van de ruilhandel wordt geleefd)
Traditioneel eten Krentenwegge, melk
Portaal  Portaalicoon Land

Twente is een boerenkeizerrijk in Overijssel.[1] De republiek strekt zich uit van Zwolle in het noorden, gemeente Zoetermeer in het westen, de België in het zuiden en de Donau in het oosten, waarachter de Achterhoekers, de grootste bondgenoten van de Twentenaren (dan wel Tukkers) wonen. God mag weten hoe die Donau daar terecht gekomen is.

Geschiedenis[bewerken]

Twente is een van de oudst bewoonde gebieden van Europa. Er wordt geschat dat in 4500 v Chr. de eerste mensen zich vestigden op de plek die nu Hertme heet.

In de Romeinse tijd brak er een tijd van economische bloei aan. Men gaat er van uit dat die bloeiperiode vooral werd veroorzaakt door de aanleg van de Zwolle-Brussel spoorlijn en de uitvinding van de koe.

Tubantius Periode (1023-1279)[bewerken]

In 1023 vestigde Graaf Tubantius een hertogdom in wat nu Twente heet. Zijn nakomelingen hebben voor meer dan twee eeuwen over Twente geregeerd, totdat Graaf Tubantius XI in 1277 na een intensief potje schaak tegen zijn moeder stierf aan een zenuwinzinking.

De achterneef van Tubantius XI, baron Almazout (later koning Ottakar I) van Bordurië, claimde recht te hebben op de Twentse troon. Hoewel de Twentenaren hier fel op tegen waren, besteeg de baron in 1279 toch de troon. Dit bracht een grootse opstand teweeg. De Twentenaren brachten een reusachtig leger op de been, dat bestond uit wel 1349 boeren met hooivorken en 36 koeien. Baron Almazout nam bij het zien van deze grootse legermacht de benen, waarna Twente een republiek werd.

Boerenrepubliek Periode (1279-1367)[bewerken]

Boer Harm uit Mariaparochie nam toen de leiding. Hij stelde een ingewikkeld kiessysteem op, waarbij er eens in de 6 jaar een boer zich verkiesbaar stelt, waarna de anderen voor of tegen stemmen. Is het aantal stemmers tegen méér dan het aantal koeien van de boer, dan wordt hij uit de campagne gezet.[2]

Jarenlang was er vrede en economische bloei in Twente. Dit veranderde toen de Friezen ook koeien gingen verkopen aan omliggende gebieden zoals Twente al sinds de zesde eeuw deed. Vooral in Drenthe, waar veel Twentse handelsposten stonden, liepen de spanningen hoog op. Pieter Harmszoon, opvolger van boer Harm, besloot dat Twente zichzelf moest kunnen verdedigen tegen het Friese leger. Het boerenleger, dat na de opstand in rap tempo was geslonken, bestond uit nog maar 84 vaste troepen en 171 ingeschreven reservisten. Deze waren dan ook nog eens gewapend met hooivorken en een enkele speer. Hiertegenover stonden de Friezen met een leger beroepssoldaten met kortzwaarden en schilden, in getalen van wel vierhonderd man. Pieter richtte een elite-eenheid op: de Tukker-orde.[3] De Tukkers waren getrainde troepen met een beter ontworpen hooivork en een licht harnas. Ze werden gerekruteerd onder de beroepssoldaten en vanaf 1317 werden de Tukkers verdeeld in een infanterie en een cavalerie.

De Twents-Friese oorlog[bewerken]

Vanaf 1320 werd de cavalerie ingezet om de handelsroutes te beschermen tegen Friese huurlingen, waarbij deze veel succes had. De Friezen waren echter helemaal klaar met de Tukkers. Ze mobiliseerden een leger en schakelden alle handelsposten ten noorden van Assen uit. De Twentenaren reageerden door de Friezen tegen te houden als ze melk en boter naar Den Haag exporteerden. Door het stokken van de zuivelstromen ontstond een grote boterberg en melkplas. Onmiddelijk werd begonnen met de bouw van de afsluitdijk, waarover de zuivel toch vervoerd zou kunnen worden. Dit tot grote woede in Utrecht en Amsterdam. Zij visten veel op zoute haring in het gebied. Door de dam werd het water langzaamaan zoet en dus werd ook de haring zoet. Ook konden schepen vanuit de steden de zee niet meer op. Hierdoor moest Friesland de afsluitdijk verbouwen om schepen te laten passeren, omdat ze een oorlog koste wat het kost moesten voorkomen. Dientengevolge raakten de Friezen financieel aan de grond, wat voor Twente een buitenkans was om voorgoed met de noorderlingen af te rekenen. De Twentse troepen, geleid door Karel Pieterszoon, begonnen in 1326 met de verovering van Drenthe. Hierbij kregen ze steun van de bevolking waardoor de Friese troepen snel in de minderheid waren. Op 6 april 1328 vond de slag bij Assen plaats. Zeshonderd Tukkers bestormden het Friese legerkamp vlak voor zonsopgang wat de Friezen uiteen dreef. Na een korte strijd waarin de Friezen bijna honderd soldaten verloren trokken ze zich terug in de stad. Binnen drie dagen sloten de Tukkers de stad hermetisch af.

Het beleg van Assen[bewerken]

Het beleg van Assen was vrij simpel: Friezen in de stad, Tukkers erbuiten met een dikke stadsmuur ertussen. Het leek uitzichtloos. Op 22 mei van hetzelfde jaar besloot de leider van de Friezen tol te gaan heffen bij de afsluitdijk. Elk schip moest ineens een tolstrippenkaart hebben die men kon kopen bij het tolhuisje of gratis kreeg bij aankoop van veertig liter melk en drie koeien. Het probleem van de Friezen was dat niemand zin had om dit te betalen. Friesland dreigde de afsluitdijk weer te sluiten waardoor de hoge heren in Utrecht en Den Haag behoorlijk uit hun humeur raakten. Aangezien diezelfde heren ook graag een oplossing zochten waarbij ze geen soldaten hoefden te sturen gaven ze Twente een paar vaten van een raar poeder uit het Verre Oosten, genaamd buskluit. Door dit spul naar de muren van Assen te gooien hoopten de Twentenaren mogelijkheden te creëren om Assen in te nemen. De Friezen die in de stad zaten renden, in de illusie dat de Twentenaren een kernwapen hadden gebruikt, alle kanten op. Dit leidde in een snelle overwinning voor Twente. 26 mei 1328 ging de geschiedenis in als de grote knal van Assen.

De slag om Heerenveen[bewerken]

Het duurde niet lang of de Twentenaren hadden Assen achter zich gelaten en waren op weg naar de volgende slag. Ze werden bij Heerenveen gedwongen om deze slag dan ook uit te vechten. De Twentenaren stuitten echter op een groot probleem: Ze hadden nog maar 502 Tukkers waarmee ze 871 Friezen moesten verslaan op Fries grondgebied. De Friezen intussen, maakten zich klaar voor een aanval op 4 juni. Twentse spionnen, en hiermee het Twentse opperbevel, wisten dit echter ook. De Twentenaren stuurden een postduif naar Assen met een brief waarin ze om hulp vroegen. Deze duif is vermoedelijk aan een spies geregen en gebraden door de Friese bevolking, hij is in ieder geval niet aangekomen. Ook als de duif wel was aangenomen, had het niet meer geholpen; de heer van Assen was een dag eerder van de stadsmuur gevallen tijdens zijn ochtendwandeling. Het Twentse leger stond voor een onmogelijke opgave. Desondanks gaven ze de hoop niet op, er was namelijk nog wat buskluit over. De Twentse strijdmacht kreeg zijn vechtlust weer terug maar kon er niet lang van genieten, de Friezen hadden melk geruild voor cavaleristen uit Bremen waarmee ze in totaal 1156 troepen hadden. Intussen hadden de Twentenaren besloten dat alles geoorloofd was, inclusief gedwongen rekruten en kindsoldaten. Hiermee kwam het troepenaantal op 502 Tukkers, 29 man kanonvoer infanterie en 138 kinderen met knuppels. Na een korte maar felle aanval waren beide legers niet meer in staat om nog aanvallen uit te voeren. De verliezen aan Friese zijde waren enorm: negenhonderd doden en gewonden. De Twentse kinderen en gedwongen rekruten lagen overal op het slagveld en de Tukkers vonden pelotons terug bij Stavoren. In totaal waren nog ongeveer driehonderd Tukkers in leven.

Het einde van de republiek[bewerken]

De Tukkers waren sterk verzwakt sinds 1328 en in de twintig jaar daarna nam de troepensterkte af tot nog tachtig man. De koehandel werd gedomineerd door de Friezen en de machthebbers verloren de verkiezingen. Toen in 1365 zeventien vervroegde verkiezingen werden uitgeschreven greep de Achterhoekse Anschluss Partij de macht door de verkiezingen te winnen. De boeren van de conservatieve partij kwamen erachter dat er geschilderde paarden als koeien werden voorgesteld. Hierop volgde een revolutie, waarbij het Achterhoekse leger moest ingrijpen. De Achterhoekse Anschluss Partij dacht zijn zin te krijgen toen een Achterhoeks regiment Losser innam. Ze kwamen echter bedrogen uit toen het partijkantoor werd platgebrand en de Achterhoekers de koeien van de leden van de AAP vorderde. De Achterhoek had helemaal geen zin om Twente te bezetten, omdat de melkproductie toch op zijn gat lag.

Wetteloze periode (1367-1464)[bewerken]

In deze periode was er totaal geen wetgevende macht. Ook was er geen leger, geen belastingdienst en geen katholieke kerk. Dit was daarom economisch een geweldige periode. Nergens kerken die onderhouden moesten worden en niemand die belasting inde. Het aantal koeien steeg explosief en de boeren kapten bossen kaal om maar weiland voor de koeien voorhanden te houden. Het ging zelfs zover dat boeren eigen havens aan de IJssel ging bouwen om koeien overzee te kunnen vervoeren en verkopen.[4] Een groeiend probleem was de aanwezigheid van Friese plunderaars. Hierdoor werden er toch weer dorpslegers opgezet om de Friese bandieten te geven wat ze verdienden.

De Unie (1464-1568)[bewerken]

Het derde flottielje in actie.

In 1464 kondigden de dorpslegers van Groenlo, Usselo, Boekelo, Glane en Losser aan samen te gaan in een leger, waarmee ze een lokale grootmacht vormden. Dit leger bestond toen uit een regiment per dorp. In 1471 traden Hengelo en Haaksbergen toe tot de unie. In 1472 namen Losser en Haaksbergen er een tweede regiment bij, waardoor de organieke sterkte op negen regimenten kwam te liggen. De Friese adel was hier niet tevreden mee en besloot ook een sterker leger te nemen. Dit dreef de Unie ertoe ook meer troepen aan te nemen. In 1487 was het leger gegroeid tot veertien professionele en vier vrijwillige regimenten. Later sloot de Unie ook nog een verbond met Scandinavische strijdkrachten waar de Friezen geen weet van hadden. Toen de Twentenaren in 1498 de Zuiderzee opgingen om koeien in Amsterdam te verhandelen verklaar Friesland de oorlog. Twente had echter meer bondgenoten dan de Friezen zagen aankomen, wat tot gevolg had dat veel boeren alvast overliepen. Toen in het voorjaar van 1499 de gevechten begonnen hadden de Friezen krap twaalfduizend manschappen en nog eens duizend ruiters. Op zee waren ze de machtigste van de Zuiderzee, tot de Scandinavische schepen zich bij de Unie aansloten. De Unie beschikte over een uitgebreide krijgsmacht:

  • Eerste regiment tukkers (4200 manschappen)
  • Tweede regiment tukkers (4300 manschappen)
  • Derde regiment tukkers (3600 manschappen)
  • Vierde regiment tukkers (4500 manschappen)
  • Vijfde regiment tukkers (5100 manschappen)
  • Zesde regiment tukkers (3900 manschappen)
  • Zevende regiment tukkers (4200 manschappen)
  • Achtste regiment tukkers (4400 manschappen)
  • Negende regiment tukkers (4000 manschappen)
  • Tiende regiment tukkers (3300 manschappen)
  • Elfde regiment tukkers (3200 manschappen)
  • Twaalfde regiment tukkers (4120 manschappen)
  • Dertiende regiment tukkers (4300 manschappen)
  • Veertiende regiment tukkers (4700 manschappen)
  • Vijftiende regiment tukkers (4400 manschappen)
  • Zestiende regiment verdwaalde rezigers (2900 manschappen)
  • Zeventiende regiment tukkers-ter-paard (2500 ruiters)
  • Achttiende regiment loopgraafslaven (5000 manschappen)
  • Negentiende regiment Scandinaische plunderaars (4600 manschappen)
  • Twintigste bataljon dolle stieren (600 dolle stieren)
  • Eenentwintigste batterij slingerblijdes (48 slingerblijdes)
  • Eerste flottielje (33 schepen)
  • Tweede flottielje (31 schepen)
  • Derde flottielje (147 vikingschepen, onderverdeeld in groepen van 49 en eskaders van 7.)

Slag bij Lemmer[bewerken]

De Unie viel de Friese marinebasis in Lemmer aan om meer controle over de Zuiderzee te verwerven. Friese troepen verdedigden de basis maar na de landing van het gevreesde negentiende regiment sloeg elke Fries met een wapen op de vlucht. Deze relatief korte slag was binnen twee uur beslecht.

Slag bij Harlingen[bewerken]

In Harlingen lieten de Friezen zich minder makkelijk verjagen. Ze verzetten zich zelfs tot het bittere eind. De Unie liet er echter geen gras over groeien: Harlingen werd tegen de vlakte gegooid door de slingerblijdes. De vloot was vier dagen eerder al verslagen en de marinebasis werd bestormd door het negentiende regiment. De Friezen waren afgesloten van het water en de voorraden raakten op. De Twentse troepen vielen aan van alle kanten, behalve de loopgraafslaven, die konden na afloop worden doorverkocht.

Tachtigjarige Oorlog[bewerken]

In de Tachtigjarige Oorlog, steunde Twente zichzelf, omdat de maatregelen van Filips II de wietexport ernstig in gevaar brachten en omdat ze in Twente helemaal geen zin hebben om naar anderen te luisteren. Na afloop hiervan vielen ze ineens onder de republiek. Een opstand bleek onnodig omdat de hoge heren Twente toch al lang waren vergeten en de wetten niet handhaafden.

WOI en WOII[bewerken]

In de Eerste Wereldoorlog streed Twente om de Moffen buiten te houden. De Moffen waren namelijk van plan Twente onopvallend te veroveren en vervolgens te ontkennen dat het Mofs gebied was. Hierdoor zouden ze nieuwe technologie kunnen ontwikkelen zonder dat de vijand erachter zou komen. Dit ging uiteindelijk niet op. De Mofse indringers bestormden de enige Twentse linie waar de derde boereninfanterie in de loopgraven lag. Volgens de overlevering zouden de Moffen naar de loopgraaf zijn gelopen om er schietend in te springen en man op man het gevecht aan te gaan. Met het schieten bereikten de Moffen niks en toen ze de loopgraven betraden stuitten ze onmiddellijk op een slagorde hooivorken. De overgebleven Moffen bleken veelal niet opgewassen tegen de woedende Tukkers en leden zware verliezen. Ze zijn nooit weer teruggekomen.

In de Tweede Wereldoorlog bleef Twente neutraal, omdat de Twentenaren om oorlog te voorkomen alles wat nuttig was in de fik staken (de Alles-in-de-hèèns politiek). Hierdoor had Twente voor de Engelsen en Canadezen geen enkele economische waarde meer. Uit wraak gooiden deze in 1945 alsnog bommen op hoofdstad Enschede waarbij een groot deel van de stad met de grond gelijk werd gemaakt.[5]

Economie[bewerken]

Waar Twente vroeger nauwelijks van economisch belang was, is het heden ten dage een agrarische topproducent. Twente heeft ook veel ruimte om agrarisch te zijn aangezien er weinig mensen in het uitgestrekte gebied wonen. De belangrijkste plekken zijn:

  • De regering in Haaksbergen
  • De hoofdstad Enschede
  • Het wietproductiecentrum Glanerbrug
  • De Johmafabriek in Losser

De economie is uiterst zorgvuldig opgebouwd. Zo ligt er één grote brede lange weg die vanaf Enschede naar Glanerbrug loopt om de wiet snel naar de markt te kunnen vervoeren waar het door handelaren wordt opgekocht die het dan per trein naar de kopende partij kunnen voeren. Elke handelaar voert de wiet naar een ander gebied zodat er geen concurrentie ontstaat en de prijs hoog blijft. Ook de asielzoekers dragen bij aan dit proces door, alvorens uitgezet te worden, eerst de wereldwijd bekende wiet uit Twente te kopen voor het thuisfront waar het hard nodig is. Een ander sterk punt van de economie is de industrie van Johma. Dit grote bedrijf heeft een wereldwijde afzetmarkt en een tiende van de winst gaat rechtsteeks naar de schatkist die Herman Finkers bewaart onder een zeker object in zijn slaapkamer waar we verder niet op in mogen gaan in verband met de staatsveiligheid. De laatste economische bijdrager is de veeteelt; koeien om precies te zijn. Deze worden behalve door het leger ook door slagerijen gekocht. Ook leveren ze veel melk aan Friesland-Campina.

Notenbalk[bewerken]


GelGroDreOve.png
De skriever van deze artikel kömp uut 't oosten van 't laand!
GelGroDreOve.png

}