Werkwoordsspelling

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Jazeker! Blahen is ook een werkwoord: Ik blah, jij blaht, wij blahen...
Da's... niet logisch.
~ Johan Cruijff over werkwoordsspelling.

Werkwoordsspelling is een apart geval in de Nederlandse taal waarin men werkwoorden moet gaan ontleden, herkennen, bepalen en bekijken. Niet ontleden met een scalp of een mes, nee, met aparte regeltjes en woorden met een stel hersenen die goed kunnen nadenken. Hierbij gaat het om de werkwoorden om deze in de juiste tijd te zetten. Wij leven echter altijd in nu maar deze werkwoorden kunnen tevens in de tegenwoordige tijd, ookwel nu, de verleden tijd, niet nu, maar daarvoor, de gevoltooide tijd, het gebeurde geval waar altijd een ge in te vinden is, niet te verwarren met gij, de toekomende tijd, ookwel de toekomst en geen tijd om een werkwoord te bepalen, waardoor het bestaan van deze vorm nog altijd betwist wordt.

Regeltjes[bewerken]

Bij de werkwoordsspelling moet men duidelijk zijn over een aantal regels hierin. Op veel scholen worden de leerlingen [1] geëist om deze in hun kop te stampen, zoals men dit noemt, net als stamppot. Dit is over het algemeen vrij omstreden omdat hierbij excessief geweld bij te pas komt.

Persoonsvorm[bewerken]

De persoonsvorm gaat bijna altijd over een persoon, met uitzondering bij dieren, planten, dingen, jij, ik, iemand, niemand, een steen, een vlo, een bacterie, een niets en dingen. Een zin heeft altijd een werkwoord, toch is het een hele kluif om dat kreng [2], of in algemene taal: de persoonsvorm, te vinden. Zelf zijn er geruchten bij de Nederlandse docenten die wél een gezond verstand hebben, dat het om het eerste werkwoord in de zin gaat. Echter is dit nog niet bevestigd omdat er een aantal andere ongelovige hersenloze Nederlandse docenten is zonder gezond verstand of met de gele griep door al die kinderen in de klas, dat nu nog steeds bezig is om een zin te zoeken waar de persoonsvorm níét het eerste werkwoord in de zin is, hoewel tot nu toe nog zonder resultaat. Een voorbeeld:

  • Jantje liep over het gras.
  • Wie liep over het gras en kreeg een boete omdat Jantje niet over het gras mocht lopen? Jantje.[3] De persoonsvorm hier is liep, want het is het eerste werkwoord in de zin.
  • Deze staat tegelijkertijd in de verleden tijd, het is dus gebeurd. Helemaal niet interessant dus.

Stammen en hun tijden[bewerken]

In iedere zin is een stam en een tijd te vinden. Bij stammen wordt gewerkt met bomen. Deze bomen hebben allemaal een stam. Een stam is iets waar een boom op staat en waar ook dus een werkwoord uit bestaat. Nogal logisch. In de wereldwijde wereld [4] zijn er ook heel veel tijden. Alle tijden staan allemaal boven in de introductie/lead vermeld.

In het enkelvoud van de tegenwoordige tijd wordt aan het eind de saaie stam +d of +t gebruikt, waarin soms ook wel een +dt in voorkomt in rare werkwoorden die nog niet op een d, t, of dt eindigen. In het midden kan soms een extra lettertje bij komen. Werkwoorden in het meervoud daarentegen eindigen allemaal op en. Allemaal. Ja echt, alle[5].

In het enkelvoud van de verleden tijd worden discriminerende sterke en zwakke werkwoorden gebruikt. De sterke moeten zo ingewikkeld mogelijk opgeschreven worden en de zwakke zo eenvoudig mogelijk. In enkelvoud eindigt diezelfde stam, soms met een extra lettertje of meerdere, altijd op -de of -te. Soms ook -dde en -tte maar nooit -dte en -tde. Bijvoorbeeld het werkwoord brand, een zwak werkwoord. De stam is hierbij brand, want een boom heeft nou eenmaal te maken met bosbranden. Dan de personen, daarbij komen er soms wel eens een paar dingen bij, zoals deze:

Tot zover de tegenwoordige tijd. Nu gaan we naar de verleden tijd, dit gaat echter anders dan de tegenwoordige tijd.

De wij/jullie/zij vorm van branden is brandden waar al te merken was dat het de stam is +den. Dit wil zeggen, de boom is compleet. De boom heeft een stam, is een den en als men het werkwoord bekijkt, (branden) en deze gaat ontleden, krijgt men brand den. Een den is een boom! Dit is ook de reden waarom dit soort werkwoorden en de manieren om deze goed op te schrijven niet te vertrouwen zijn, het kan de ene keer namelijk weer anders zijn en hier gaan heel veel mensen de fout in. Dan is er ook nog de gevoltooide tijd, gebrand, de toekomende tijd, "gaat" branden en geen tijd om een boom te gaan branden, maar dat is alleen voor milieuhippies en daarom ook helemaal niets.

Uitzonderingen[bewerken]

Ja, het is werkelijk om gek van te worden.

Er zijn natuurlijk vanwege de verwarring over de bomen van hierboven en de regeltjes daarvan ook wat uitzonderingen met het bepalen van een werkwoord.

Sterke werkwoorden[bewerken]

Bij sterke werkwoorden gebruikt men geen stam. Eigenlijk wel bij de tegenwoordige tijd, maar bij de verleden tijd niet. Neem nu het werkwoord lopen:

  • Ik loop
  • Jij/gij loopt
  • Hij/zij/men loopt
  • Wij/jullie/zij lopen.

Hierbij is Lo de stam. Dan bij de verleden tijd, krijgt het werkwoord een extreme makeover en is deze nauwelijks meer te herkennen op een paar letters na:

  • Ik liep
  • Jij/gij liept
  • Hij/zij/men liept
  • Wij/jullie/zij liepen.

Echter is het bij jij/gij/hij/zij/men niet liep, want het is niet in de ik vorm. Bij deze jij/gij/hij/zij/men werkwoorden moet er bij ik ook altijd een t of d achter komen. Het gevoltooide deelwoord is dan echter niet geliept maar gelopen! Rare verwarrende taal is Nederlands ook hè?

  • Werk Woorden werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn eigenwijs en kloppen als je ze op een bepaalde manier gaat bepalen voor geen meter. Neem nou vergooien. Daar draait het werkwoord zichzelf als het ware om door een waarschijnlijke dubbele betekenis. Schizofrene werkwoorden eigenlijk dus. Om deze niet schizofreen te laten overkomen wordt het werkwoord dus omgedraaid, zoals dit voorbeeld in de tegenwoordige tijd:

  • Ik gooi ver
  • Jij/gij gooit ver
  • Hij/zij/men gooit ver
  • Wij/jullie/zij gooien ver.

In de verleden tijd blijft het omgedraaide werkwoord hetzelfde, alleen komt het werkwoord in de verleden tijd:

  • Ik/jij/gij/hij/zij/men gooide ver
  • Wij/jullie/zij gooiden ver.

Het gevoltooide deelwoord is echter óók weer anders. Het is dan namelijk in deze vorm niet gevergooien of gevergegooid maar vergegooid. Als deze schizofrene regel er niet was, waren deze werkwoorden nu allemaal ik vergooi, jij vergooit etc., maar daar komt weer verwarring door met het werkwoord vergóóien, terwijl we het hier over het werkwoord vérgooien hebben. Het zou bijvoorbeeld ook niet deugen bij het werkwoord omvergooien; ik omvergooi, jij omvergooid is nou eenmaal fout. Toch kun je dit werkwoord op meerdere manieren opschrijven, zoals allemaal in de jij vorm: vergooi om, om vergooi, om ver gooi , omver gooi, gooi ver om, of gooi omver wat misschien ook wel het beste klinkt.

Zie ook[bewerken]

Potatohead aqua.png
Aan de schandpaal genageld!
Vastgenagelde versie:
11 december 2011
Dit artikel is een verschrikking! Daarom is het vastgenageld aan de schandpaal zodat iedereen er rotte groenten tegenaan kan gooien.


Voetnoten[bewerken]

  1. Vooral tijdens de Nederlandse les.
  2. Zoals sommige leerlingen dat ook wel noemen.
  3. Oeps! Dit was het onderwerp.
  4. Op 1 klein miezerig plekje op de Aarde, een stukje onder de zeebodem na.
  5. Op de zin met een aantal leraren na, waarin er sprake is van een aantal.